Nederlandse Zendingsraad
Eenheid in Zending

Actueel

Oosters - Orthodoxe kerken

dinsdag, 23 mei

Nelly van Kampen overleden

woensdag, 17 mei
Bekijk nieuws
Aanmelden nieuwsbrief NZR

Uitzending nu
Veranderde visies in beleid en praktijk (NZR Cahier 2)

€ 7.50 per stuk, bij afname van 10 of meer exemplaren € 5 per stuk

 

Inleiding:  Uitzending blijft trekken

Sinds de oprichting van het Zeister Zendingsgenootschap in 1793, de oudste zendingsorganisatie in Nederland, hebben protestanten vele honderden zendingswerkers uitgezonden. Ons kleine landje telde zo’n 750 zendingsgenootschappen. En dan hebben we het nog niet eens over de rooms-katholieke missiecongregaties.  Ruim tweehonderd jaar later zenden we nog steeds mensen uit.

Er is in die tijd echter veel veranderd. Oude genootschappen werden veelal zendingsafdelingen van de kerken, sommige van deze kerken zenden inmiddels helemaal niet meer uit en ondertussen ontstonden talloze evangelische zendingsgenootschappen. Jaarlijks zijn er velen die naar het buitenland vertrekken voor missionair werk. Het gaat hierbij niet alleen om jongeren, maar ook om ouderen van wie velen al eerder uitgezonden zijn geweest.
Zending en uitzending blijven trekken. Gaat het om roeping, om avontuur, om een vlucht uit het bestaan hier of om het gevoel iets goeds te willen doen voor God en de mensen? Allerlei motieven spelen een rol en uitzendende organisaties proberen daar ook de vinger achter te krijgen. Dat is niet omdat ze mensen willen tegenhouden, maar omdat ze hen en de lokale partner in het buitenland tegen teleurstellingen willen beschermen. Niemand is er bij gebaat als een uitzending mislukt, degene die uitgezonden wordt niet, de mensen op de werkplek niet. Uit ervaring wijs geworden hebben zendingsorganisaties daarom een uitgebreide screening en begeleiden ze de werker wanneer hij op het werkveld is ook. (1)

Van lang naar kort tot zeer kort

In het verleden, na 1945, gingen mensen vooral uit via de zendingsorganen van de ‘gevestigde’ kerken. Tegenwoordig voelt men zich vaak veel minder verbonden aan een bepaalde kerk en valt de keuze net zo makkelijk op een evangelische, niet aan één kerk verbonden organisatie. In toenemende mate zijn er echter ook mensen die zonder bemiddeling van een zendingsorganisatie vertrekken. De vanzelfsprekendheid om zich in te passen in de structuren en mogelijkheden die de zendingsorganisatie van de eigen kerk biedt, is verdwenen. Mensen zoeken naar een organisatie die aanspreekt of mogelijkheden biedt die passen bij de verlangens die de kandidaatzendingswerker heeft. Organisaties die verbonden zijn aan een bepaalde kerk spelen hier op in door de mogelijkheid van een gezamenlijke uitzending te bieden: de zendingswerker wordt zowel door de kerkelijke organisatie als een evangelische organisatie uitgezonden.

Lang was het gebruikelijk om voor een zeer lange periode, enkele tientallen jaren of zelfs voor het leven, uitgezonden te worden. Dat gebruik is totaal veranderd. Tegenwoordig spreekt men bij twee tot vier jaar al over een ‘lange uitzending’. Veel organisaties bieden de mogelijkheid om enkele maanden tot een jaar ergens te gaan werken. In sommige gevallen gaat het zelfs om één tot enkele weken. Mensen willen zich niet voor jaren vastleggen, ze willen eerst kijken of zending ‘iets voor hen’ is, willen ervaring in het buitenland opdoen of zich voor één of twee jaar inzetten voor een missionair project, zoals anderen in eigen land een diaconaal jaar doen.

De meningen over dit soort korte uitzendingen zijn verdeeld. Sommigen vinden dat zulke korte periodes niet lang genoeg zijn om wezenlijk iets te kunnen bijdragen aan het missionaire werk in een bepaald gebied. Het kan het werk zelfs verstoren, zeggen critici: de zendingswerker die voor langere tijd in zo’n gebied werkzaam is, heeft zijn handen zo vol aan al die mensen die voor korte tijd komen, dat hij aan zijn eigen werk daar niet meer toekomt. Ook voor de lokale kerk kan het onrust  opleveren. Anderen zijn van mening dat deze uitzendingen zeker zinvol zijn: misschien niet altijd voor het werk ter plaatse, maar wel voor de uitgezondene zelf. Hij  verbreedt zijn blik, leert omgaan met cultuurverschillen en ontdekt de rijkdom van Gods wereldwijde kerk. Die ervaringen kunnen hem helpen om vervolgens actief te worden in de kerk in Nederland of om toch voor langere tijd uitgezonden te worden.

Naast deze korte uitzendingen zijn er nog altijd langere. Een groot deel van de mensen gaat weg voor vier tot zes jaar en verlengt dat soms nog met enkele jaren. Mensen die voor bijbelvertaalwerk weggaan worden, gezien de specifieke aard van het werk, meestal geacht voor langere tijd op het werkveld te blijven. Ook zijn er mensen die na een aantal jaren terugkomen en na een kortere of langere periode in Nederland opnieuw uitgezonden worden. Anderen zetten in Nederland hun blijvende interesse in missionair werk verder in.

Veranderde visie op zending

Naast het feit dat veel mensen zelf niet meer voor tientallen jaren naar het buitenland willen, is er ook in de visie op zending veel veranderd. Ten eerste is men steeds meer gaan beseffen dat ook Nederland een zendingsland geworden is. De kerk is in de afgelopen decennia sterk gekrompen, er is een hele generatie die nauwelijks meer iets weet van het christelijk geloof. Verder zijn er veel niet-christelijke migranten in ons land. Ook hier is er werk te over en ligt daar niet onze eerste prioriteit? Ten tweede is de visie op het buitenland veranderd. Vroeger zag men zending als de gang vanuit de westerse christelijke wereld naar de heidense wereld, om daar het licht van het evangelie te brengen. In de loop van de twintigste eeuw zijn we gaan beseffen dat de situatie drastisch veranderd is. Overal ter wereld zijn er kerken, in sommige landen in het Zuiden zijn ze groter dan die in Europa. Europa is in de loop van de tijd zelf een zendingsgebied geworden. Kerken in het Zuiden zijn zelfstandige kerken, ze hebben geen westerse zendelingen nodig. Vaak zijn ze zelf ook missionair actief en hebben ze meer behoefte aan financiële dan aan personele ondersteuning. Sommige, zoals de Redeemed Christian Church of God (Nigeria), zenden nu zendingswerkers uit naar Europa om daar de mensen (opnieuw) bekend te maken met het evangelie.

Bescheidenheid

Is zending vanuit Nederland naar elders dan overbodig geworden? Veel christenen menen van wel en meer dan één organisatie draagt dat standpunt ook uit. Dat is ook in dit Cahier terug te vinden. Anderen – het betreft een aanzienlijk aantal kerken en zendingsorganisaties – kiezen wel voor uitzending, maar hebben daarop een andere visie dan vroeger. Het besef is gegroeid dat zendingswerkers er zijn ten dienste van kerken elders. De kerken daar moeten aangeven welke noden er zijn. Die zijn er namelijk nog steeds: soms is er in de snelgroeiende kerken een tekort aan toerusters en docenten, soms is er geen Bijbel in de eigen taal, of men heeft gebrek aan (christelijk) medisch personeel. Daarvoor wordt er nog steeds een beroep op kerken in het Westen gedaan.

Deze (nieuwe) situatie vraagt om bescheidenheid: niet wij bepalen de agenda van het lokale missionaire werk, maar onze broeders en zusters elders. En ook moeten we leren inzien dat wij van hen kunnen leren. Waarom zouden wij geen zendelingen ontvangen in ons zeer ontkerkelijkte land?

Al is er tegenwoordig in elk land ter wereld wel een kerk of tenminste een groepje christenen, niet alle zendingsorganisaties kiezen ervoor om daarmee samen te werken. Soms vanwege theologische verschillen, soms is de kerk heel klein en zwak, soms is er het risico van vervolging voor de lokale gelovigen. In dat soort situaties kiezen bepaalde organisaties ervoor om toch zelf een kerk te stichten.

Het gebeurt echter ook dat organisaties hun eigen zendingswerk starten in landen waar al een grote (of meer dan één) kerk is. Als reden wordt dan vaak aangedragen dat de bestaande kerk (of kerken) theologisch te veel afwijkt van de visie van de zendingsorganisatie. Dit leidt echter tot veel wrijving met bestaande kerken, die door proselitisme hun leden verliezen aan de nieuwe groepen. De meningen over dit fenomeen blijven verdeeld, ook binnen de achterban van de Nederlandse Zendingsraad (NZR). Waar de een deze werkwijze legitiem vindt, vindt de ander dit ongepast. Bij uitzendingen maken ze dan ook uiteenlopende keuzes: de een zal altijd een lokale  kerkelijke partner zoeken, de ander heeft die in zijn visie niet per se nodig.

Aanleiding tot NZR-Cahier 2

In dit tweede NZR-Cahier komen in enkele achtergrondartikelen verschillende vragen aan bod die een rol spelen rond het thema ‘uitzendingen’. Het Cahier als zodanig komt voort uit gesprekken en studies waar de NZR al langere tijd mee bezig is. In 2014 en 2015 spraken bij de NZR aangesloten kerken en missionaire organisaties verschillende malen over het uitzenden van mensen. Zij maakten daarbij onder meer gebruik van de oude nota ‘Over zending en uitzending’ van het Hendrik Kraemer Instituut (HKI, 1991). In de jaren negentig spraken veel zendingsorganisaties intensief over de inhoud daarvan. Deze nota was geschreven door een commissie van het HKI, het toenmalige trainingsinstituut voor missionair werk van de Samen-op-Weg-kerken.

Inmiddels zijn we bijna vijfentwintig jaar verder en dat vormde de aanleiding voor een heroverweging van het uitzendbeleid. De context van kerk en zending veranderde immers. Zo kwam in Nederland het accent zwaarder te liggen op missionair werk in eigen land. Lokaal missionair pionieren en gemeentestichting staan nu hoog op de agenda. Internationaal vindt het missionaire werk steeds meer plaats in de context van een wankele wereldorde. Veel meer dan in de jaren negentig wordt nu dan ook intensief gesproken over veiligheid van uitgezonden werkers. Daarnaast kwam versterkt de vraag op hoe de zendingswerker intermediair kan zijn tussen kerken en christenen daar en hier. Hoe draagt de zendingswerker dan effectief bij aan wederkerigheid?

In de NZR-discussies kwamen bijvoorbeeld de volgende vragen aan de orde:

  • Gelden de motieven voor uitzending, zoals die begin jaren negentig werden geformuleerd, ook nu nog?
  • Zien kerken en zendingsorganisaties het uitzenden van zendingswerkers nog steeds als een belangrijke schakel vormt in het missionaire werk?
  • Hoe wenselijk is het eigenlijk dat we vanuit Nederland nog missionair werkers uitzenden? Wat zijn de motieven daarvoor?
  • Erkennen we niet al geruime tijd dat de lokale kerk verantwoordelijk is voor de missionaire opdracht?

In dit Cahier laten we een diversiteit van stemmen horen, maar het hoofdaccent ligt op het gegeven dat kerken en organisaties ook in onze tijd uitzenden. We brengen in kaart hoe in oecumenische en evangelische kring het denken over uitzending zich ontwikkelde én we geven dit kleur door een inkijkje in de uitzendpraktijk van diverse kerken en missionaire organisaties.

Het Cahier biedt als zodanig een verdieping van twee nummers van TussenRuimte, het missionaire kwartaaltijdschrift dat de Nederlandse Zendingsraad uitgeeft, die eveneens handelen over uitzending en de relatie met buitenlandse partners: TussenRuimte 2014 | 3 (‘Uitgezonden’) en TussenRuimte 2015 | 3 (‘Wederkerigheid?’). (2) 

TussenRuimte 2014 | 3 schetst een beeld van de huidige uitzendpraktijk en beschrijft zending als kwetsbare ontmoeting over grenzen heen. TussenRuimte 2015 | 3 behandelt vragen rond wederkerigheid en gaat in op de verhouding van ideaal en praktijk. Want we zeggen in het huidige missionaire werk dat zending niet meer de beweging is ‘van hier naar daar’, dat de norm in het missionaire werk is dat we van en met partners elders leren en dat we samenwerken op basis van gelijkwaardigheid, maar dat is nog lang niet altijd de praktijk.

Opzet van dit NZR-Cahier

Het eerste gedeelte van dit Cahier bevat drie artikelen over de praktijk van uitzending. Het eerste artikel biedt een kort overzicht in cijfers en gaat in op vormen van uitzending. De twee daarop volgende artikelen geven weer hoe vier verschillende zendingsorganisaties uit de achterban van de NZR hun uitzendbeleid vormgeven. Het tweede deel biedt in vier artikelen informatie over de achtergronden van het uitzendbeleid. Daarbij gaat het om vragen rond paradigma’s, historische ontwikkelingen in visie op uitzending en de daaruit volgende mogelijke keuzes, variërend van het beleid om niet meer uit te zenden tot het actief mensen werven voor kortere en langere uitzendingen. Het laatste deel van het Cahier bevat drie bijlagen met (delen uit) eerder verschenen nota’s, die van belang zijn voor het denken over uitzending.

We hopen dat de informatie en de bezinning in dit nieuwe NZR-Cahier een stimulans vormt voor het verdere gesprek over uitzendbeleid. Met het oog daarop hebben we aan verschillende bijdragen in dit Cahier vragen voor verder gesprek toegevoegd.

Foka van de Beek en Gerrit Noort
december 2015

________________________________________

1   Voor de leesbaarheid is er in dit Cahier voor gekozen alleen ‘hij’ en ‘zijn’ te gebruiken. Vanzelfsprekend kan ook ‘zij’ en ‘haar’ gedacht worden.

2   TussenRuimte 2014 | 3 (‘Uitgezonden’) is uitverkocht maar voor geïnteresseerden als download beschikbaar op de website zendingsraad.nl, onder publicaties/resources. TussenRuimte 2015 | 3  (‘Wederkerigheid?’) is verkrijgbaar bij de Nederlandse Zendingsraad