Nederlandse Zendingsraad
Eenheid in Zending

Meer verdieping

Uitgelicht: Christopher J.H.Wright

woensdag, 3 oktober 2012
Bekijk verdieping

Evangelische zending

woensdag, 28 juni

In de afgelopen vijftig jaar tekenden zich enkele grote ontwikkelingen af in evangelische zending. In het hiernavolgende gaan we daarop in. Ik concentreer me daarbij op vier opmerkelijke ontwikkelingen: 1) integrale zending, 2) samenwerking met kerkelijke zending, 3) ontstaan van een positieve cultuurvisie en 4) diasporazending.

Evangelische zending

1) Van eeuwige redding naar integrale zending

Evangelische zending stelde in de jaren zeventig zonder terughoudendheid de verticale dimensie centraal: zending en evangelisatie gingen over het behoud van verloren zielen. Met dat standpunt namen evangelische kringen afstand van kerkelijke zending, want die laatste zou zich uitsluitend richtten op de transformatie van de samenleving door de strijd tegen onrecht. Dat was niet als positieve waardering bedoeld, want deze wereld liep immers naar het einde toe. Slechts de Heer kon bij zijn wederkomst recht en vrede brengen.

In de jaren zeventig voerden ‘evangelische’ en ‘oecumenische’ (kerkelijke) zendingsmensen een heftige discussie over het heil. De onderlinge verstandhouding liep daarbij ernstig averij op. Na de integratie van de International Missionary Council in de Wereldraad van Kerken (1961), die zeer tot ongenoegen van evangelicals had plaatsgevonden, nam de polarisatie van standpunten snel toe. Kenmerkend daarvoor was de zorg die de Amerikaan Donald McGavran (1897-1990), voortrekker van de Church Growth Movement, uitte over de missionaire doelstellingen van de Wereldraad. Nadat hij de voorbereidingsdocumenten voor de vierde oecumenische assemblee van de Wereldraad te Uppsala (1968) gelezen had, publiceerde hij het bekende artikel ‘Will Uppsala Betray the Two Billion?’[1] Daarmee doelde hij op het missionair verraad van de twee miljard mensen die nog niet de kans hadden om het evangelie te horen en die derhalve niet voor de eeuwigheid gered waren. De Wereldraad zou met zijn focus op humaniteit de ‘essential task of mission, discipling the peoples of the earth’[2] uit het oog verloren hebben. McGavran stond hierin niet alleen. Ook andere evangelische zendingsmensen hadden bedenkingen over de koers van de Wereldraad, zoals de Duitser Peter Beyerhaus en de Amerikaan Arthur Glasser. Met name Beyerhaus zou zich in 1973, tijdens de wereldzendingsconferentie over het thema ‘Salvation Today’ (Bangkok, 1973), scherp keren tegen de oecumenische tendens om zending te definiëren als de strijd voor een humane samenleving. Voor hem moest zending gaan over verlossing van zonden en over de rechtvaardiging van de goddeloze, niet over het bouwen van het Koninkrijk in het hier en nu.[3]

Het was in deze context van missionaire polarisatie dat de Evangelische Zendingsalliantie werd opgericht (1973), als evangelische tegenhanger van de in 1929 opgerichte oecumenische Nederlandse Zendingsraad. Een jaar later, in 1974, schaarden evangelicals uit 150 landen zich achter het Lausanne Covenant, een ‘verbintenis’ die grote nadruk legde op het verkondigen van het evangelie aan de 2,7 miljard onbereikte mensen.[4] Zending betekende volgens Lausanne ‘dat Gods liefde aan een wereld van zondaren verkondigd wordt en dat alle mensen uitgenodigd worden Hem in oprechte persoonlijke overgave door berouw en geloof, als Heer en Heiland te erkennen.’[5] Het doel van de zending moet dan ook zijn ‘alle beschikbare materialen te benutten om zo spoedig mogelijk ieder de gelegenheid te geven het goede nieuws te horen, te begrijpen en aan te nemen’.[6]

Door de strijd om het doel van de zending raakte in evangelische kring onderbelicht dat ook veel evangelische zending gestalte kreeg in sociaal-maatschappelijke projecten. Het succes van zendingswerk werd vaak numeriek gemeten: getalsmatige groei door bekeringen, aantallen verspreide Bijbels en aantallen evangelisten in opleiding. Evangelieverkondiging had het primaat.  

De Latijns-Amerikaanse evangelicals Rene Padilla en Orlando Costas bekritiseerden al snel de eenzijdigheid in evangelische zendingstheologie. Vanuit hun ervaring in een context van  armoede en onrecht bepleitten zij een holistisch verstaan van de missionaire opdracht en spraken derhalve van ‘misión integral’. Doelstellingen van het zendingswerk dienden integraal verbonden te zijn aan Koninkrijkswaarden.

De evangelische zendingsbeweging heeft het belang van integrale zending inmiddels breed erkend. Zo is de verschuiving naar integrale zending goed zichtbaar in het zogenaamde Cape Town Commitment (2010). Deze verklaring maakt duidelijk dat wie de wederkomst verwacht daarmee niet ontslagen is van de opdracht de aarde te beheren en te leven naar Gods recht.

Met het omarmen van integrale zending komt voor evangelicals een discussie aan de orde over samenhang en onderscheid van missionair, diakonaal en ontwikkelingswerk. Wat is de verkondigende dimensie in het werk van christelijke ontwikkelingsorganisaties? Wat is de plaats van diakonaat in organisaties die zich profileren als evangeliserend? Hoe formuleren we de missie vanuit een integrale visie? Als de missie een integrale is, dan schuurt dat soms met geschreven en ongeschreven doelstellingen van het werk. Het stelt ook vragen over de ethiek van het getuigen, want de strijd om het behoud van de ziel betekent immers niet dat alle middelen daartoe mogen worden gebruikt.

 2) Samenwerking evangelische zending met kerkelijke zending

De voorgaande paragraaf maakte duidelijk dat de verhouding van evangelische en oecumenische zending niet altijd optimaal was. Evangelische zendingsorganisaties hadden weinig op met kerkelijke zending. Omgekeerd hadden kerkelijke zendingen weinig vertrouwen in evangelisch zendingswerk. Veel grensverkeer was er in de jaren zeventig dan ook niet, en samenwerking nog minder. Missionaire projecten en uitzendingen verliepen via gescheiden circuits waartussen opmerkelijk weinig contact bestond.

Dit zou echter gaan veranderen doordat de evangelische beweging in Nederland aan invloed won en de ‘traditionele kerken’ constateerden dat hun gemeenteleden in toenemende mate uitgezonden werden via evangelische organisaties. Het besef langs elkaar heen te werken, en zelfs ‘tegen elkaar in’,[7] leidde tot een zoektocht naar dwarsverbindingen. Dit kreeg onder meer gestalte in het zogenaamde Guntersteinberaad, waar vertegenwoordigers van de Nederlandse Zendingsraad (‘kerkelijke zending’) en de Evangelische Zendingsalliantie (‘geloofszending’) elkaar al sinds 1973 troffen om tot meer wederzijds begrip te komen, ondanks ‘zeer grote verschillen’ in uitgangspunten en methode van werken.[8]  

De hervormde predikant Wim Bouw, als algemeen secretaris verbonden aan de BMZG (Bijbelse en Medische Zendingsgemeenschap, sinds 1990 Interserve geheten), bleek een belangrijke verbindende schakel tussen kerkelijke en evangelische zending. Hij constateerde in 1981 dat zijn organisatie medewerkers had ‘uit de Hervormd-Gereformeerde hoek, de Christelijk Gereformeerde Kerken, Gereformeerde Gemeenten, de Nederlands Gereformeerde Kerken en evangelische gemeenten’.[9] Dat moest volgens hem leiden tot andere verhoudingen van evangelische en kerkelijke zending. Bouw, oud-zendingspredikant, wendde zich daarom tot de hervormde Raad voor de Zending te Oegstgeest met het verzoek om samen te werken rondom uitzendingen naar de jonge kerk in Nepal. Deze samenwerking kwam inderdaad van de grond.

Ook bij de Nederlandse Zendingsraad was in deze periode de invloed zichtbaar van de veranderingen. Bij deze oecumenische raad hadden sinds de oprichting in 1929 voornamelijk kerkelijke zendingen aansluiting gezocht. Maar in de jaren tachtig en negentig vroegen ook evangelische organisaties het lidmaatschap aan. Zo werden Wycliffe, Interserve, OMF, OM, Frontiers en de zendingsafdeling van de Verenigde Pinkster- en Evangeliegemeenten (VPE) lid. Deze nieuwe samenstelling van de raad vormde de aanleiding voor een hernieuwde bezinning op de wijze waarop evangelische en kerkelijke organisaties konden samenwerken. Dit leidde in 1984 tot het vaststellen van ‘Vijf regels voor samenwerking’.[10] Deze regels bepaalden vooral hoe samengewerkt diende te worden rondom het vaststellen van vacatures voor zendingswerkers en het werven van fondsen om uitzendingen te bekostigen.

In 2013 leidde de toegenomen samenwerking van kerkelijke en evangelische zending ertoe dat de Nederlandse Zendingsraad en MissieNederland (waarin de Evangelische Zendingsalliantie in 2013 opging) gezamenlijk een kantoorpand in Driebergen betrokken. In 2015 werd dit gevolgd door een strategisch partnerschap van beide organisaties. De verschillen die ertoe leidden dat evangelische en kerkelijke zending gescheiden wegen gingen, zijn daarmee niet verdwenen. Ze worden echter wel overstegen vanuit de overtuiging dat de missionaire roeping samenwerking vereist.

3)  De verschuiving van discontinuïteit naar continuïteit

Misschien wel de opmerkelijkste verschuiving in de afgelopen decennia is de opkomst van insider-missiologie en het doorbréken van de overwegend antithetische visie van evangelische zending op cultuur en religie. In 1980 pleitte zendingsman Phil Parshall, in zijn boek New Paths in Muslim Evangelism, voor een paradigmawisseling. Het was naar zijn overtuiging nodig om te zoeken naar ‘experimental methodology that may result in a fruit-bearing experience among Muslims’.[11] Hij zocht begaanbare en bijbelse wegen voor een contextuele, cultuur-sensitieve benadering van moslims om barrières voor de verkondiging van het evangelie weg te nemen.

Zijn pleidooi bleef niet onopgemerkt. In die jaren was contextualisatie in evangelische zendingskringen een verdacht begrip. Zendelingen die zich daarmee inlieten neigden immers, zo was de vaak gehoorde gedachte, naar relativering van het christelijk geloof en het toelaten van syncretisme. Maar gaandeweg werd Parshalls analyse door velen overgenomen. Zendeling John Travis stelde zelfs dat Parshall niet ver genoeg ging. In het missionaire werk zou namelijk ruimte gemaakt moeten worden voor Messias-belijdende moslims. ‘…[O]ne way that God is moving at this point in salvation history, is by sovereignly drawing Muslims to Himself, revolutionizing them spiritually, yet calling them to remain as salt and light in the religious community of their birth’.[12] Het radicale in de benadering van Travis is duidelijk: moslims die Jezus volgen, kunnen binnen de eigen religieuze gemeenschap blijven. Zij worden aangeduid als zogenaamde insiders. Deze volgelingen van Jezus – moslims, hindoes, boeddhisten – treden dus niet toe tot een christelijke kerk door het ontvangen van de doop.

Dat er in andere religieuze gemeenschappen mensen zijn die Jezus vereren en navolgen, is in de zendingsgeschiedenis een reeds lang bekend gegeven. Nieuw is echter dat meerdere evangelische zendingsorganisaties hun missionaire strategie aanpasten op deze insider movements. In het verleden gold de gouden regel dat volgelingen van Jezus (‘bekeerden’) werden vergaderd in christelijke gemeenschappen en dat zij dan een nieuwe kerk (‘kerkplanting’) vormden. Zendingsorganisaties met een insider-strategie bewandelen een andere weg: de tot Christus bekeerden kunnen discipel zijn binnen de kaders van de al aangehangen religie en de daarbij horende religieuze gemeenschap. Een parallel wordt daarbij getrokken met de joodse volgelingen van Jezus, die naar synagoge en tempel bleven gaan totdat dit door uitsluiting onmogelijk werd gemaakt. De insider­-strategie kiest voor een opmerkelijke weg: ze beoogt de ‘vruchteloosheid’ van oude missionaire methodieken te ondervangen door Jezus en het christendom te ontkoppelen. En daarmee dus ook zending en kerk.

In de jaren tachtig zou insider-theologie door evangelicals waarschijnlijk als syncretisme zijn gediskwalificeerd. Phil Parshall zelf waarschuwde voor het stimuleren van insider-bewegingen vanwege het risico van ‘gevaarlijk syncretisme’.[13] Aanhangers van deze missionaire benadering zien dat echter anders en beschouwen insider movements als een gouden sleutel om de ‘resistente’ moslimgemeenschap te bereiken met het evangelie. Terwijl evangelischen in het verleden een antithese zagen tussen God en Allah, hebben aanhangers van deze missionaire benadering er nu geen probleem mee om over Allah te spreken als de Schepper-God, die ook zijzelf dienen. De zending dient er slechts op gericht te zijn om Christus te verkondigen, niet om Allah te vervangen door de God van de christenen. Daarmee komen zij theologisch dicht in de buurt van oecumenische visies die over moslims spreken als broeder en zusters. Zij vereren immers allen dezelfde Schepper-God.

4)  Van hidden peoples naar diasporazending

Een vierde ontwikkeling, tot slot, is zichtbaar in het verschuivende accent van onbereikte volken naar migratie en migranten. Ik beschrijf dit aan de hand van twee zendingsconferenties, de eerste in Edinburgh (1980) en de tweede in Boekarest (2016).

In oktober 1980, kort na de start van de Lausanne-beweging (1974), vond in Edinburgh een belangrijke evangelische zendingsconferentie plaats over missionaire strategie.[14] Centraal stond dat zending niet mocht opgaan in de ondersteuning van kerk- en gemeenteopbouw, maar dat zij primair gericht diende te zijn op de verkondiging van het evangelie aan groepen mensen die nog niet eerder van Jezus hoorden. Deze zogenaamde people groups werden in Edinburgh omschreven als hidden peoples, een lange lijst van 16.750 volken of groepen ‘who are outside the scope of existing missionary efforts’ en in wiens midden geen lokale kerk is.[15] De aanwezige zendingsmensen namen zich dan ook voor om de beschikbare zendingsmiddelen strategischer in te zetten. In de jaren tachtig en negentig zou zending onder de hidden peoples verder worden uitgewerkt. Het pleidooi voor het 10/40-window – zending moest vooral gericht zijn op de onbereikten tussen de 10e en 40e breedtegraad ­– was in feite niet anders dan een uitwerking hiervan. De aandacht moest weer uitgaan naar de frontiers.

In evangelische zending wordt de term hidden peoples inmiddels nauwelijks meer gebruikt. De term unreached (onbereikt) blijft daarentegen in gebruik. De laatste jaren lijken evangelische zendingsorganisaties, zeker in Europa, migranten te hebben ontdekt als nieuwe ‘onbereikten’. De in juni 2016 te Boekarest (Roemenië) gehouden conferentie van de European Evangelical Mission Association, met als thema ‘Refugees in Europe – a fence or a bridge?’, is daarvan een goed voorbeeld. Centraal stond daar de vraag hoe zendingsorganisaties liefdevol het evangelie kunnen delen met migranten. Het ging daarbij niet om hulpverlening, maar primair om de migrant uit te nodigen tot discipelschap.

In de lezingen tijdens de conferentie klonk in vele toonaarden door dat migratie onderdeel is van Gods plan. Hij brengt de naties in beroering, zodat onbereikten het evangelie kunnen horen. Als kerken te weinig zendelingen uitzenden naar onbereikte volken in gesloten landen, dan brengt God deze mensen middels migratie binnen ons bereik. Dat is een omkering: niet langer staat het uitzenden van mensen centraal, maar het ontvangen van migranten. De weerslag van de migrantenstromen is inmiddels zichtbaar in evangelische zendingsliteratuur. Er zijn inmiddels nieuwe woorden in omloop voor zending en migratie. De begrippen diaspora-zending, diaspora-missiologie en migrant ministries zullen we de komende jaren ongetwijfeld veel horen.

De toekomst van evangelische zending

Evangelische modellen voor wereldevangelisatie buitelden de afgelopen vier decennia over ons heen, ongetwijfeld mede veroorzaakt door de magische grens van de millenniumwisseling. Soms mocht het wel een beetje meer realiteitsgehalte hebben. Maar de andere kant van al die modellen is dat hieruit blijkt hoe flexibel, vernieuwend en initiatiefrijk evangelische zending is. Het is echter wel zinnig om de vraag stellen waar al deze inspanningen toe leiden. Nergens lezen we namelijk in de Bijbel dat Jezus bij zijn wederkomst op aarde veel geloof zal aantreffen. Wel lezen we, vragenderwijs, iets dat op het tegendeel lijkt te duiden: ‘als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan geloof vinden op aarde?’ (Lukas 18:8). Die tekst maakt wellicht duidelijk dat het niet zo zinnig is om ervan uit te gaan dat zending pas geslaagd is wanneer alle wereldbewoners de Heer hebben leren kennen. Hoe graag ik dat ook zou willen. Uiteindelijk kunnen we in het zendingswerk niet anders doen dan wijzen op onze Heer, die de wereld in zijn hand wil houden en mensen tot recht wil laten komen in zijn Koninkrijk. En vervolgens mogen we het eerbiedig aan God overlaten, zonder zelf in missionaire luiheid te vervallen. Het is immers Gods zending, en niet de onze.

Evangelische zending verhaalt graag van bekeringservaringen. Dat is begrijpelijk, want weinig is immers mooier dan te vertellen over mensen die door Jezus de ‘zin van alle tijd’ vonden (Gezang 75, Liedboek van Kerken). Zending kan wat mij betreft nooit zonder de klassieke ‘bekeringsarbeid’, in de zin van de oproep Jezus na te volgen. Tegelijkertijd is het van belang dat evangelische zending zich realiseert dat groei van de wereldwijde christelijke gemeenschap, statistisch gezien, meer het gevolg is van geboorten dan van bekeringen. Alle strategieën voor wereldevangelisatie ten spijt. Religieuze diversiteit zal ongetwijfeld tot de wederkomst blijven bestaan en christen-worden blijft in hoge mate verbonden aan het gezin waarin je geboren wordt, hoeveel zendingsgeld en -tijd we ook aanwenden voor het bereiken van de ‘onbereikte’.

Het is daarom voor evangelische zendingsorganisaties belangrijk om de reikwijdte van integrale zending nog grondiger te doordenken. Tot aan de wederkomst zijn we geroepen om het evangelie van Jezus met anderen delen. Dat is een voorrecht en een grote vreugde.[16] De hoorder weegt vervolgens in vrijheid af wat deze daarmee doet. Omwille van die blijvende diversiteit zullen evangelische zendingsorganisaties zich meer rekenschap moeten geven van een blijvend pluriforme wereld. In integrale zending zijn woordverkondiging en dienst nevengeschikt. Verkondiging heeft niet het primaat, maar is even belangrijk als de liefdesdienst aan de ander. Hoe geven evangelische zendingsorganisaties dit gestalte in een wereld waarin politieke en religieuze spanningen snel toenemen? Hoe kan evangelische zending bijdragen aan verzoening en vrede voor de stad in de context van een wankele wereldorde?[17] De kracht van evangelische zending is het vermogen om te vernieuwen. Nodig is de ontwikkeling van een evangelische presentietheologie, die de dienst aan de naaste krachtig weet te verbinden aan een stil en compromisloos getuigenis van de hoogste Naam. Het zou mooi zijn als ‘kerkelijke’ en ‘evangelische’ zending elkaar kunnen voorthelpen op die weg. Beide zullen daarvan profijt hebben.

Gert Noort

Dit (bekorte) artikel verscheen onlangs in de bundel Typisch Evangelisch (Ark Boeken 2017), blz. 221-232

 

[1] D. McGavran, ‘Will Uppsala Betray the Two Billion?’, Church Growth Bulletin, 1968/5 (2), 331-333.

[2] D. McGavran, ‘My Pilgrimage in Mission, International Bulletin of Missionary Research, 1986 (10) 2, 53-57.

[3] Zie P. Beyerhaus, ‘Mission, Humanization and the Kingdom, in: McGavran (ed.), Crucial Issues in Missions Tomorrow, 1972, 54-76; Bangkok 1973. The Beginning or end of World Mission?, Grand Rapids 1973.

[4] Zie onder meer R.D. Winter, ‘The Highest Priority: Cross-Cultural Evangelism’, plenary paper 1974 Lausanne, in: R.Hedlund, Roots of the Great Debate in Mission, Bangalore 2002, 328-340.

[5] Lausanne Covenant, artikel 3. Zie voor de integrale tekst: www.lausanne.org/nl/het-verbond-van-lausanne.

[6] Lausanne Covenant, artikel 9.

[7] H. Noordermeer, ‘Het Guntersteinberaad. Een tienjarige poging tot dialoog tussen “kerkelijke” zending en “evangelicals”’, Wereld en Zending 1984 (3), 224.

[8] Jan J. van Capelleveen e.a., Overleg Onderweg. Kerkelijke zending en geloofszending, Kampen 1979, 7.

[9] ‘BMZG: jonge loot aan een oude zendingsboom’, in: Reformatorisch Dagblad, 8 juli 1981.

[10] Zie http://zendingsraad.nl/publicaties.

[11] Ph. Parshall, New Paths in Muslim Evangelism. Evangelical Approaches to Contextualization, Grand Rapids 1980, 17.

[12] J. Travis, A. Travis, ‘Appropriate Approaches in Muslim Contexts’, in: Ch. Kraft, Appropriate Christianity, Pasadena 2005, 397.

[13] J. Travis, A. Travis, ‘Appropriate Approaches, 397.

[14] A. Starling (ed.), Seeds of Promise. World Consultation on Frontier Mission, Ediunburgh 1980, Pasadena 1981.

[15] A. Starling (ed.), Seeds of Promise, 60-62.

[16] Paus Fransciscus, The Joy of the Gospel, London 2013, art. 1.

[17] J. Rood (ed.), Een wankele wereldorde. Strategische Monitor 2014, Clingendael Instituut 2014.

Reacties

Er zijn nog geen reacties op deze blog

Reageer op deze blog


Verplicht maar verborgen