Nederlandse Zendingsraad
Eenheid in Zending

Meer verdieping

Uitgelicht: Christopher J.H.Wright

woensdag, 3 oktober 2012
Bekijk verdieping

Onbevangen in de marge

dinsdag, 11 juni

Onbevangen in de marge. Het verlangen naar betekenisvol discipelschap en het einde van sprakeloosheid

Lezing Synodevergadering Protestantse Kerk in Nederland

Gerrit Noort

25 april 2019

 

Een vrijmoedig mens

Toen ik in de jaren negentig als zendingspredikant in Midden-Sulawesi (Indonesië) woonde, uitgezonden door de Oegstgeester Raad voor de Zending, maakte een verkoper aan de deur me duidelijk wat een vrijmoedig geloof is. Of in ieder geval wat dat voor hem betekende. Hij haalde het één na het ander uit zijn tassen tevoorschijn en prees het nut ervan vasthoudend aan. Maar ik zat op die spullen niet te wachten en toen hij uiteindelijk inzag dat ik niets zou kopen, schakelde hij in een fractie van een seconde om en zei – zo plots dat ik meende het verkeerd verstaan te hebben – ‘maar wilt u dan voor mij bidden om Gods zegen?’

Onbevangen in de marge

Ik kan u verzekeren dat ik deze vrijmoedigheid even niet kon plaatsen. Zijn vraag en mijn instinctieve reactie hadden uiteraard te maken met zijn inbedding in de diep-religieuze Indonesische samenleving en mijn verworteling in de diepgaand geseculariseerde Nederlandse maatschappij. Zo vanzelfsprekend als de verkoper zijn geloof integreerde met zijn zaken, zo vervreemdend was dat voor mij. Wat overigens niet wegneemt dat we wel samen gebeden hebben. 

 

De vraagstelling naar vrijmoedigheid

Het moderamen heeft me gevraagd in te gaan op het thema vrijmoedigheid, maar dan in de Nederlandse context. Hoe kunnen we als minderheid vrijmoedig woorden geven aan wat ons drijft? De nota Kerk 2025 verwoordt het zo: ‘Hoe leren we getuige te zijn dat geloof in God er werkelijk toe doet en aan het leven zin, diepte, heil en glans geeft’.[1]

Dat is voorwaar geen geringe vraag. Het is zelfs een klassiek-missionaire kwestie, die herinneringen oproept aan in de 19e en 20e eeuw intensief gevoerde discussies over de missionaire roeping van de kerk en de zoektocht naar aanknopingspunten, contextualiteit en relevantie.

Ik heb dan ook niet de pretentie dat ik vandaag, in de mij toegemeten tijd, een antwoord zou kunnen geven op de methodiekvraag (‘Hoe leren we vrijmoedig te getuigen?’).

Ik zal het accent daarom leggen op een voorvraag, namelijk de kwestie van onze identiteit. Wie zijn wij en wat heeft dat met vrijmoedigheid te maken? Door daarop in te gaan hoop ik de bespreking van ons verlangen naar vrijmoedigheid enigszins op scherp te stellen.

 

Evangelie in de samenleving als protestants accent

Het verlangen om in de wereld vrijmoedig van ons geloof te getuigen, is eigen aan de protestantse traditie. Dat kunnen we ook in Kerk 2025 zien. Het benoemt niet alleen de wens te leren getuigen, maar ook dat we ‘zonder gêne’[2] mensen voor Christus mogen winnen. Onbevangen dus. Vrijmoedig.

In onze kerkorde klinkt het verlangen ook door, al zijn de woorden daar anders, gedragener vooral. Het winnen  van mensen voor Christus wordt niet genoemd, maar wel de oproep tot vernieuwing. Zo verbindt Ordinantie 1 het belijden van Jezus Christus als Heer en Verlosser van de wereld aan de oproep tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat.[3]

Dat is een gewichtige formulering, die uitnodigt tot een grondige exegese. Dat ga ik uiteraard niet doen, maar ook zonder een exegetische verkenning is wel duidelijk dat we hier echo’s horen van klassiek-protestantse accenten in het denken over de missionaire roeping: het hoort bij protestanten dat zij niet kerk voor zichzelf willen zijn, maar dat zij het evangelie op de samenleving willen betrekken.

Hervormden deden dat wat anders dan gereformeerden. Hervormden bleven lang vasthouden aan hun diepe wens om te blijven werken aan de voortgaande kerstening van het volksleven in de zin der Reformatie. Gereformeerden kozen voor soevereiniteit in eigen kring, wilden vrij zijn van overheidsinvloed, maar organiseerden vervolgens wel hun stem in de maatschappij. Want natuurlijk wilden ook zij overheidsbeleid en maatschappelijk denken beïnvloeden. Maar niet vanuit de gedachte van een voortgaande kerstening.

De hervormde synode sprak in 1991 nog met nadruk over ‘Kerstening als Kerkewerk’. Maar in dat beleidsplan ging het allang niet meer om een klassiek kersteningsconcept. Sterker nog: eigenlijk stond het daar mijlenver van af en het was verstandig geweest als de synode het woord kerstening toen terzijde had geschoven. Ten eerste omdat het concept van de voortgaande kerstening verouderd is, ten tweede omdat deze beleidsnota het zwaartepunt legde op de kerk als bewaarder van het grote geheim. En dat is toch echt iets anders dan kerstening van de samenleving. De blikrichting is dan anders.

Deze andere blikrichting wil niet zeggen dat de verbinding met de wereld verloren ging: het geheim dat deze wereld schepping van God is, stond namelijk onder de belofte van vernieuwing van deze wereld. Met de woorden van de beleidsnota: het geheim oefent ‘een vernieuwende, heilzame invloed’ op de samenleving uit.[4] Ook bij het hoeden van het geheim blijft de wereld in beeld, maar die wereld bepaalt niet de agenda van de kerk.

 

Vrijmoedig spreken of het geheim bewaren?

In dit verband moeten we onszelf kritisch bevragen. De wens om in de samenleving vrijmoedig te spreken over het geloof, is namelijk een keuze. En daarvoor hebben we in onze kerkelijke traditie met goede redenen gekozen. Maar met evenveel recht kunnen we anders kiezen: namelijk om ons te concentreren op het bewaren van het geheim en het spreken in de publieke ruimte niet normatief te maken. Die keuze maken we in de protestantse traditie in de regel niet. 

Het is goed om ons af te vragen waaróm we in onze tijd vasthouden aan de klassiek-protestantse keuze om het evangelie in de samenleving te willen betuigen. We doen dat ongetwijfeld omwille van ons enthousiasme over het evangelie, omdat we vinden dat het betekenis heeft voor de samenleving of omdat we het als evangelische opdracht zien.

Maar ook dan is de vraag: past een publiek getuigenis wel bij deze tijd waarin de kerk soms vooral bezig lijkt te zijn met damage control? Want elk goed verhaal – over Gods liefde, over kerkasiel, betrokkenheid bij de klimaatmars of diaconale zorg – staat naast beeldbepalende berichten over seksueel misbruik en stereotypering van homo’s in de Nashvilleverklaring.  

Vrijmoedig en authentiek vertelde geloofsverhalen leveren misschien ‘likes’ op voor de kerk, maar het is toch goed om tegen elkaar te zeggen dat vrijmoedigheid geen gouden sleutel is die per definitie zal leiden tot groei of toenemende waardering. Als dat de bedoeling is dan kunnen we beter onze strategie heroverwegen en onze kerkelijke vermogens binnen 10 jaar volledig wegschenken aan slachtoffers van seksueel geweld en aan mensen die door klimaatrampen getroffen zijn.

Kiezen voor het bewaren van het geheim, op bescheiden wijze, zonder een groot accent op vrijmoedigheid, is op zich een legitieme keuze waarvoor we ons niet zouden hoeven schamen. Het sluit goed aan bij de gedachte dat we verantwoording mogen afleggen van de hoop die in ons is (1 Petrus 3: 15). Het gaat dan om de onbevangen bereidheid je te laten bevragen op je motieven en, zoals de apostel Petrus zegt, te zorgen voor een goed geweten en een goede levenswandel (vs. 16). Het ‘hoe’ van een vrijmoedige verkondiging is minder aan de orde, want het accent ligt dan vooral op onze identiteit als leerling van Jezus en op de kwaliteit van ons christelijk leven.

Er is nog een tweede reden om onszelf in dit verband kritisch te bevragen. Want hoe onopgeefbaar is het in onze protestantse traditie om vrijmoedig te spreken in de samenleving? Protestantse kerken in het Midden-Oosten en Azië verbinden hun identiteit veel  minder met het publiek betuigen van het heil. Zeker als deze kerk in minderheidssituaties te maken hebben met beperkende overheidsmaatregelen en sociale vijandigheid (‘vervolging’).

Vrijmoedig spreken, in de zin van de samenleving oproepen tot vernieuwing, is in hun situatie lang niet altijd mogelijk. De navolging krijgt daar gestalte in het vieren, het gemeenschapsleven en zorg voor de naaste. Het zou een miskenning zijn om te stellen dat deze kleine kerken mank gaan aan een protestants tekort, omdat zij niet publiekelijk oproepen tot vernieuwing van het leven.

Dat leidt dan vervolgens tot een vraag aan ons: Gaat er iets wezenlijk mis als de Protestantse Kerk zou kiezen voor het bewaren van het goddelijk mysterie en het vieren daarvan? Ook wij bevinden ons in een minderheidssituatie en daarmee is onze positie in de samenleving ingrijpend veranderd. Misschien betekent dit dat we ons verlangen en kerkelijke ambities daarop moeten aanpassen. Begrijp me goed: ik zeg niet dat ik dat vind, maar het verdient wel onze overweging.  

 

Vrijmoedigheid: onder de maat of opbloeiend?

Misschien denkt u inmiddels toch dat ik met deze overwegingen het verlangen naar vrijmoedigheid terzijde schuif en pleit voor de terugtocht naar de veilig omheinde ruimte van de kloosterkerk. Dat is niet het geval. Maar wel wil ik nuanceren, want ik heb enige zorg om de zoektocht naar vrijmoedigheid. Soms wordt het namelijk tot een nieuw gebod dat missionaire kramp oplevert.  Want we zullen nooit aan de hoge norm van vrijmoedigheid voldoen. Het kan altijd vrijmoediger en per saldo voelen we ons tekortschieten in ons getuigenis.

Ernstiger is het wanneer vrijmoedigheid tot een lakmoesproef wordt: wanneer vrijmoedigheid de noodzakelijke randvoorwaarde wordt, het ‘bewijs’, voor een gezonde kerk met groeipotentie. En met permissie, daar geloof ik niet in.

Sommige kerken op het zuidelijk halfrond geloven daar overigens wél in. Zo klinken er verwijten dat er bij ons iets grondig mis is. We zouden als de verloren zoon onze geestelijke erfenis verkwanselen. Onze missionaire ijver zou zijn verdampt doordat we ons neerlegden bij de waarden van een post-christelijke samenleving. Met leeglopende kerken als gevolg. De vermaning klinkt dat we sterker moeten zijn in ons geloof en moeten terugkeren naar de bron. Een vrijmoedig en vurig geloof zou de sleutel tot herkerstening van Europa vormen.

         We voelen aan dat de analyse uit het lood hangt, maar toch raakt het ook een gevoelige snaar. We beseffen maar al te goed dat we worstelen met het verwoorden van ons geloof en dat de overdracht van het geloof stokt.

Maar zonder de statistiek over krimp te willen onderschatten, of de omvang van creativiteit te willen overschatten, is het toch helemaal niet moeilijk om in ons kerkenwerk mooie voorbeelden van vrijmoedigheid en geloofscommunicatie aan te wijzen. Het kleurrijke palet van kerkelijk pionieren kunnen we met overtuiging een vorm van herwonnen vrijmoedigheid noemen. En wie kon om de onbevangenheid heen waarmee schrijver Jan Siebelink zich onlangs uitsprak over zijn ‘vasthouden aan het vertrouwen’ dat hij na de dood wordt opgevangen. Waarom, zei hij, denken we in een seculiere samenleving zo flink te moeten zijn dat we zonder hoop en verlangen kunnen. En daarnaast sprak ook Beatrice de Graaf zich kort geleden in De Wereld Draait Door publiekelijk uit over haar geloof.

Als ik om me heen kijk dan weet ik niet of wij nog wel zo sprakeloos over ons geloof zijn als we in de jaren negentig constateerden. Toen was er zorg dat we ons verschuilden achter het alibi van diaconaat en pastoraat. Volgens mij is er inmiddels echt iets veranderd en beseffen we dat het delen van het evangelieverhaal erbij hoort. De jaarlijkse uitvoering van The Passion is een voor de hand liggende illustratie daarvan.

Het is niet moeilijk om meer voorbeelden van vrijmoedigheid op te sommen. Er zijn talloze geloofscursussen, de Protestantse Kerk was intensief betrokken bij het kerkasiel in Den Haag. Al weer enkele jaren geleden was er de zelfbewuste protestantse inzet voor een fatsoenlijke ‘bed, bad en brood-regeling’. Recent was er de betrokkenheid van de Protestantse Kerk bij de klimaatmars.

 Allerlei maatschappelijke kwesties nodigen ertoe uit om vanuit het evangelie vrijmoedig en betekenisvol betrokken te zijn. Kim Putters, directeur van het Sociaal-Cultureel Planbureau, publiceerde onlangs het boekje Veenbrand, waarin hij vier ‘smeulende kwesties in de welvarende samenleving’ aan de orde stelt. Voorwaar genoeg aanknopingspunten om als kerk onbevangen op de wereld betrokken te zijn.

Maar we moeten het nog over iets anders hebben, namelijk over vrijmoedigheid als verwachtingsvolle navolging. En daarmee kom ik tot mijn volgende en laatste punt.

 

Vrijmoedigheid als verwachtingsvolle navolging van Christus

Laat ik het wat kort door de bocht formuleren: we zijn niet geroepen tot vrijmoedig spreken in de samenleving, maar tot verwachtingsvolle navolging van onze Heer. Ik zie daar een belangrijk onderscheid: vrijmoedigheid is geen doel. Het is evenmin een opdracht. Vrijmoedigheid is een uitvloeisel, een gevolg. Het vloeit voort, zei paus Franciscus enkele jaren geleden, uit de vreugde over de ontmoeting met Christus. De Wereldraad van Kerken spreekt in dit verband over Christ-connectedness. In die verbinding, die ontmoeting, vinden we onze identiteit, als leerlingen van Jezus. Dat is de basis voor het publiek getuigenis, vrijmoedig of stamelend.

Volgens mij hebben we deze perspectiefwisseling – van vrijmoedigheid naar verbinding met Christus – hard nodig. Het accent op de verbinding met Christus werkt bevrijdend, omdat we als zijn volgelingen beseffen dat God ons in Christus, als gesproken Woord, vooruitgaat. Het gaat dan niet langer om ons vrijmoedig gesproken woord of om onze sprakeloosheid, maar om God die ons vrijmaakt om leerling te worden, om als volgeling van Jezus de kwetsbaarheid van het kruis te leren verbinden aan de imperfectie van het leven.[5]  

In de brieven van Paulus zien we dat voor de apostel kwetsbaarheid en vrijmoedigheid dicht bij elkaar liggen. Hij vraagt aan de Efeziërs om gebed voor vrijmoedigheid, juist omdat hij doordrongen is van de ernstige beperking die zijn gevangenschap hem oplegt (Ef. 6:19-20).

 Het valt op dat zijn gevangenschap hem niet maakte tot een sprakeloze gezant van Christus. Paulus legt uit dat God het denken van de wereld omkeert:[6] Hij is dan wel als gevangene maatschappelijk gemarginaliseerd, maar in Gods ogen is hij een gezant (Fil. 1:13). Hij is zwak, maar juist daarin wordt Gods kracht zichtbaar (1 Kor. 12:9). Christus ging eerloos dood aan een kruis, maar God verhoogde hem (Fil. 2:8-9). En in diezelfde redeneertrant komen we tot de volgende omkering: gelovigen verlangen ernaar vrijmoedig te spreken, maar het is de Geest die ons de woorden in de mond legt (Lk. 12:12).

 

Einde van de sprakeloosheid

En daarmee kom ik toe aan mijn slotopmerkingen.

Het spreken van de kerk, zegt paus Franciscus, vloeit voort uit de geschonken vreugde die ‘met Christus steeds weer opnieuw geboren wordt’.[7] Het is de ervaring van de alles overheersende ontmoeting met Christus, die uitmondt in ‘missionary discipleship’,[8] met inbegrip van een vrijmoedig en met vreugde spreken over het evangelie. In deze zin is vrijmoedigheid dus meer een gave dan een opdracht. Meer identiteit dan normering.

Ik voeg daar nog een volgende overweging aan toe, zonder daar uitvoerig op in te gaan: voor onze publieke identiteit zijn naast het vrijmoedig spreken ook ándere dingen bepalend. Het is niet alleen vrijmoedigheid die ons definieert. Bescheidenheid, integriteit en dienstbaarheid vormen minstens zo belangrijke elementen van ons discipelschap in de publieke ruimte. Vrijmoedigheid kan niet zonder dienstbaarheid, bescheidenheid sluit vrijmoedigheid niet uit, integriteit bepaalt hoe we vrijmoedig verantwoording van onze hoop afleggen. De elementen kunnen we niet van elkaar losmaken.

Deze nuancering veroordeelt ons natuurlijk niet tot hernieuwde sprakeloosheid en het biedt zeker geen nieuwe alibi’s om over ons geloof te kunnen zwijgen. Maar het plaatst ons verlangen naar vrijmoedigheid in de bredere context van onze identiteit als volgelingen van Jezus.  

Met het verlangen om in vrijmoedigheid op te roepen tot vernieuwing van het leven in cultuur, maatschappij en staat wil ik niet lichtzinnig omgaan. Dat is niet mijn intentie, want daarvoor gaat het om een te belangrijke zaak.

Maar er is niets mis mee als we ons ontspannen in de marge bewegen, in het besef dat het Woord van God ons vooruitgaat. Dat nuanceert en schept ruimte. Want als de Alfa gaat Christus aan al onze vrijmoedigheid en sprakeloosheid vooraf. En als Omega maakt het goddelijk Woord, in het perspectief van het komende Rijk, zelfs een einde onze sprakeloosheid.

Die gedachte helpt om ontspannen én met overtuiging te blijven zoeken naar wegen om vrijmoedig de vreugde over het evangelie met anderen te

delen.

Gerrit Noort

Directeur Nederlandse Zendingsraad en bijzonder hoogleraar missiologie TU Kampen

 

[1] Kerk 2025: Waar een Woord is, is een weg, 10.

[2] Kerk 2025, 10.

[3] Kerkorde PKN I,3.1.

[4] Generale Synode NHK, Kerstening als Kerkewerk, 1991, 26.

[5] Tomas Halik, interview Trouw, 2 maart 2019; E. Hof, Reimagining Mission in the Postcolonial Condition. A Theology of Vulnerability and Vocation at the Margins, 2016.

[6] P.B. Smit, E. van Urk, ‘Less is More – Revisiting Classical Christian Texts in a “De-Churched” Society. The Case of Philippians’, in: M. Baffes (ed.) Text and Context, 2018, blz. 70-85.

[7] Paus Franciscus, Evangelii Gaudium, 2013, par. 1.

[8] Evangelii Gaudium, 2013, par. 3, 10.

Reacties

Er zijn nog geen reacties op deze blog

Reageer op deze blog


Verplicht maar verborgen