Nederlandse Zendingsraad
Eenheid in Zending

Meer verdieping

Uitgelicht: Christopher J.H.Wright

woensdag, 3 oktober 2012
Bekijk verdieping

Samenwerking in Gods zending

dinsdag, 6 november 2012

Samenwerking is vanaf het prille begin in 1929 de bestaansreden van de Nederlandse Zendingsraad (NZR) geweest. In het nieuwe beleidsplan van de Evangelische Zendingsalliantie (EZA) is het een leidend principe, een kernwaarde. Het is verheugend dat samenwerking voor zendingsorganisaties in Nederland een zekere prioriteit heeft. Dat kan het werk alleen maar ten goede komen. 

Samenwerking in Gods zending

EZA raadsvergadering 29 oktober 2012.

Samenwerking tussen kerkelijke zending en geloofszending.

In dit artikel ga ik in op de samenwerking tussen geloofszending en kerkelijke zending. Nadat ik mijn visie op zending omschrijf en het verschil tussen kerkelijke- en geloofszending uitleg, geef ik achtereenvolgens een historisch, een bijbels-theologisch en een ecclesiologisch perspectief op deze samenwerking. Ik sluit af met enkele aanbevelingen voor samenwerking.

Voor mij persoonlijk is samenwerking tussen christenen altijd een belangrijk thema geweest. Uiteraard ben ik ook regelmatig tegen de grenzen van samenwerking opgelopen. Die ervaringen hebben mij geleerd dat samenwerking niet afgedwongen kan worden. Het kost tijd, geduld, gebed. En soms blijven de binnendeuren van het huisgezin van God hermetisch gesloten. Toch blijf ik optimistisch over de mogelijkheden voor samenwerking tussen christenen. Sterker nog: ik geloof dat we zonder samenwerking in zending allerlei kansen missen en bovendien niet gaan in het voetspoor van onze Heer en van de apostelen.

Wat is zending?

Voordat ik het verschil tussen kerkelijke zending en geloofszending omschrijf, wil ik eerst de fundamentele vraag ‘wat is zending?’ aanroeren. Ik zeg ‘aanroeren’, want ik denk de beantwoording van die vraag een lezing op zich waard is. Maar ik ben u toch een verantwoording van mijn begrip van zending schuldig.

In navolging van zowel oecumenische missiologen vanaf de Tweede Wereldoorlog als meer recente evangelische  stemmen onderstreep ik dat onze zending deelname is aan de zending van God. De zending van God, de missio Dei, daarmee bedoelen we, in de woorden van het nieuwe mission statement van de Wereldraad van Kerken: ‘the overflow of the infite love of the Triune God’ (Together towards Life, 19). Of in de bijna gelijke verwoording van de Cape Town Commitment (1): ‘The mission of God flows from the love of God. The mission of God's people flows from our love for God and for all that God loves. World evangelization is the outflow of God's love to us and through us.’

Als ik de missio Dei omschrijf als de uitstorting van Gods liefde op aarde, in het bijzonder in het zenden van zijn Zoon, en onze missionaire roeping als participatie in de missio Dei, dan kom ik natuurlijk uit bij een zeer breed begrip van zending. Ik stem van harte in met de formulering van het concept beleidsplan van de EZA (5): ‘zending is het doorgeven van het goede nieuws van het Koninkrijk aan mensen die daar niet van weten’ en ‘Zending is Jezus Christus bekend maken door verkondiging, onderwijzen, dienen, gerechtigheid te bevorderen en de schepping te bewaren.’ Aan de omschrijving van zending uit het beleidsplan zijn wat mij betreft nog zaken toe te voegen, zoals het dialogische karakter van zending, de oproep tot bekering, oog voor genezing en heelheid en het afzien van macht en geweld. Maar ik denk dat deze omschrijving een goed basisbegrip van zending biedt, waarop de zendingsorganisaties hun activiteiten kunnen bouwen.

Zending mag dan participatie van heel de kerk in de missio Dei, toch wijs ik, met en in aanvulling op het EZA beleidsplan, een aantal foci, een aantal kernen van zendingswerk aan:

  • Zending gaat in het voetspoor van en is gericht op Jezus Christus, de Gezant van God. In woord en in daad verwijst de missionaire kerk naar Christus. Daarom blijft het woord ‘evangelisatie’ centraal staan in zending. Evangelisatie interpreteer ik dan niet als ‘zending binnenland’, maar als verkondiging van het goede nieuws over Jezus Christus. Het woord ‘getuigenis’ vormt een intensivering van het woord ‘evangelisatie’, omdat ‘getuigenis’ (martyria) zowel de persoonlijke betrokkenheid of het ooggetuige zijn accentueert als de mogelijkheid van een persoonlijk offer, zelfs het offer van het leven.
  •  Zending is mensenwerk in die zin dat Christus zijn volgelingen, zijn mensen, er op uit stuurt (apostellō). Het uitzenden en ontvangen van mensen blijft daarom altijd een kerntaak. Hoewel ik geloof in de missionaire roeping van heel de christelijke gemeente, zie ik toch een blijvende rol voor uitgezonden zendingswerkers. Zoals de hele gemeente deelt in het priesterschap van alle gelovigen, maar er toch een voortrekkersrol is voor oudsten en voorgangers, zo gaan de zendingswerker en de evangelist de gemeente voor in haar zending. Daarom kan deelname aan zending ook niet uitsluitend bestaan in het overmaken van een financiële bijdrage. Persoonlijke betrokkenheid, betrokkenheid bij personen: daar gaat het in de eerste plaats om.
  • ending overschrijdt grenzen van culturen, rassen, klassen en talen. Zending verbindt mensen over die grenzen heen. Het visioen van de ontelbare menigte ‘uit alle landen en volken, van elke stam en taal’ (Openbaring 7:9) is het wenkende perspectief van de zending. De Geest van Pinksteren stelt christenen ook daadwerkelijk in staat om diepe kloven van taal, cultuur en volk toch te overbruggen.

Aan de hand van deze drie kernen omschrijf ik zending als volgt:: de verkondiging van het goede nieuws van Jezus Christus door zijn volgelingen in woord en daad over menselijke grenzen heen. Met die omschrijving in gedachten wil ik nu de aandacht richten op het verschil tussen kerkelijke zending en geloofszending.

Kerkelijke zending en geloofszending

Met de typering kerkelijke zending en geloofszending brengen we een tamelijk kunstmatig onderscheid aan. De werkelijkheid in zendingsland is veel complexer. Maar de twee modellen helpen om verschillende benaderingen van zending op het spoor te komen. De zendingsorganisatie fungeert als een tak van het totale werk van de kerk in kwestie. Met geloofszending – ook wel getypeerd als para-kerkelijke zending – bedoel ik zendingsorganisaties die onafhankelijk van een kerk hun werk doen. Ze hadden vroeger vaak de vorm van een vereniging en vandaag meestal die van een stichting.

Als ik de twee modellen vergelijk met automerken, dan zou ik kerkelijke zending vergelijken met een Volvo stationwagen – degelijk, ruim, comfortabel, veilig, maar soms ook een tikje saai – en de geloofszending met een Porsche – onstuimig, doelgericht, snel, maar soms ook wat onpraktisch. Als ik de twee modellen vergelijk met hondenrassen, dan is de kerkelijke zending als een herdershond, door herders gebruikt om de kudde bij elkaar te houden. De geloofszending is in mijn ogen meer als een jachthond die gebruikt wordt voor het opdrijven van wild en het opsporen van prooien.

Het onderscheid kerkelijke zending – geloofszending valt niet samen met het onderscheid tussen protestantse zending – evangelische zending of met het onderscheid tussen de achterbannen van de NZR en die van de EZA. Sommige deelnemers van de EZA kunnen getypeerd worden tot kerkelijke zendingsorganisaties, terwijl zich onder de deelnemers van de NZR organisaties bevinden die sommige principes van de genootschappelijke zending zijn blijven volgen.

Naar mijn inschatting zijn er drie spanningsvelden of spectrums waaraan we het verschil tussen kerkelijke zending en geloofszending, althans in Nederland, kunnen meten. Deze drie spectrums zijn niet één op één aan mijn drie kernen van  zending te koppelen, maar hebben er wel degelijk mee te maken.

  • Organisatiestructuur. Het spanningsveld tussen een institutionele benadering en ruimte voor spontane initiatieven. De kerkelijke zendingsorganisaties zijn in de regel ouder en hebben in de loop van de jaren een degelijke structuur ontwikkeld. De procedures voor selectie, voorbereiding, uitzending, financiering en terugkeer zijn uiterst helder, evenals het toezicht op het zendingswerk. De organisaties die geloofszending hoog in het vaandel hebben zijn meestal jonger en minder geïnstitutionaliseerd. De nadruk ligt op de roeping van de werkers, op het spontane initiatief. De organisatiestructuur is rank, wat een flexibele benadering van het werk mogelijk maakt.

  • Financiering. Het spanningsveld tussen indirecte afhankelijkheid en directe afhankelijkheid van de zendingswerker. In het verlengde van de wijze van organisatie ligt de financiële huishouding van zendingsorganisaties. In de kerkelijke zending is dit in het algemeen centraal geregeld, terwijl het in de geloofszending een meer plaatselijk karakter heeft. In de kerkelijke zending is het gebruikelijk dat de werkers een minder sterke financiële band hebben met de plaatselijke gemeente of de regio die hen uitzendt. Natuurlijk is die band er wel, maar bij de zendingsorganisatie gaan alle bijdragen uit het hele land in een centrale kas, van waaruit alle zendingswerkers worden gefinancierd. Daarom spreek ik van indirecte afhankelijkheid. In geloofszending ligt dit anders. Daar geldt het principe: als God roept, dan zal Hij ook voor de middelen zorgen, in de regel door bijdragen van de zendende gemeente. Daarmee wordt de directe afhankelijkheid van de werker van de zendende gemeente meer geaccentueerd. De zendingsorganisatie heeft niet de rol van werkgever, maar is vooral faciliterend aanwezig.
  • Missionaire methode. Het spanningsveld tussen langlopende partnerschappen en pioniersgeest. De kerkelijke zending werkt sinds de periode van de dekolonisatie nauw samen met kerken in andere delen van de wereld. Na de Tweede Wereldoorlog is de Nederlandse zending in Indonesië hard met de neus op het feit gedrukt dat de kerken daar nu het voortouw namen, en niet meer de zendelingen en hun zendingsposten. Zij kunnen nog wel ondersteuning bieden, maar kunnen niet meer buiten de bestaande kerken om werken. Partnerschappen in zending zijn sindsdien niet meer weg te denken uit de protestantse zending. Geloofszending stelt daar tegenover de nieuwe wegen die de Geest ons wijst. Die nieuwe wegen kunnen ook buiten de soms beknellende partnerschappen om gaan. Wat als een kerk in een bepaald land haar missionaire passie verliest of, erger nog, een sta-in-de-weg voor het evangelie wordt? Mag een zendingsorganisatie de verkondiging van het evangelie daar dan niet ter hand nemen? De Nederlandse missioloog Jan Jongeneel typeert dit spanningsveld als een kerk-centrische werkwijze tegenover een heil-centrische werkwijze. (J.A.B. Jongeneel, ‘Nederlandse kerkelijke en para-kerkelijke zending na 1945’ in Th. van den End e.a., Twee eeuwen Nederlandse zending 1797-1997: Twaalf opstellen, Zoetermeer: Boekencentrum, 1997, 238)

Met deze drie spanningsvelden typeer ik het verschil tussen kerkelijke zending en geloofszending. Nu is het de vraag: hoe kunnen deze verschillende typen zendingsorganisaties op een vruchtbare wijze met elkaar samenwerken? Ik werk naar een antwoord toe door drie perspectieven te kiezen: historisch, bijbels-theologisch en ecclesiologisch. Vanuit elk van deze perspectieven bekijk ik de drie spanningsvelden tussen kerkelijke- en geloofszending die ik zojuist geformuleerd heb. Op basis van die perspectieven doe ik dan enkele aanbevelingen voor samenwerking vandaag.

Historische overwegingen

De geloofszending in Nederland is ouder is dan de kerkelijke zending, tenminste als we de genootschappelijke zending uit de 19e eeuw scharen onder de categorie geloofszending. Daar is veel voor te zeggen, want de genootschappelijke zending werkte onafhankelijk van de kerken en werd gedreven door een pioniersgeest. Het eerste genootschap was het Nederlandsch Zendeling Genootschap (NZG), opgericht in 1797 door Johannes van der Kemp. Andere genootschappen, waaronder het Nederlands Bijbelgenootschap (1815) volgden en domineerden de Nederlandse Zending in de 19e eeuw.

De vrucht op het werk van de genootschappen bleef in de 19e eeuw tamelijk beperkt. Maar aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw ontstonden er uit het zendingswerk in Nederlands Indië groepen christenen. Telde de protestantse gemeenschap in de Indonesische archipel in 1890 nog ongeveer 250.000 leden, in 1938 was dit aantal opgelopen tot meer dan 1.500.000 gedoopte leden! (Th. van den End, ‘Tweehonderd jaar Nederlandse zending: een overzicht,’ in Th. van den End, Twee eeuwen Nederlandse zending, 15) In de jaren ’30 ontwikkelden deze groepen christenen zich tot zelfstandige kerken. Mensen als Hendrik Kraemer, zendeling namens het Nederlands Bijbelgenootschap, waren nauw betrokken bij deze kerkvorming. Het plaatste de zendingsgenootschappen voor een nieuwe vraag: welke relatie hadden zij tot de pas gevormde kerken van Indonesië die zelf het werk van de zending ter hand namen?

Mede onder invloed van Hendrik Kraemer groeide in de jaren ’30 en ’40 het besef dat zending een taak is van heel Gods volk, van de kerk dus. Dat leidde in de Nederlandse Hervormde Kerk tot de integratie van de zendingsgenootschappen in de kerk en de vorming van de Raad voor de Zending (1951). Dit was het einde van de grote zendingsgenootschappen uit de 19e eeuw en het begin van de kerkelijke zending in Hervormde kring. Alleen de Gereformeerde Zendingsbond (GZB) droeg zijn werkzaamheden niet over aan de Hervormde Synode en zette de genootschappelijke traditie voort, nu echter wel met officiële goedkeuring van de Synode. De Gereformeerde Kerken hadden al sinds de Synode van Middelburg (1896) bewust aan kerkelijke zending gedaan.

De nu kerkelijke zending onderhield na de Tweede Wereldoorlog de contacten met de jonge kerken die uit het vooroorlogse werk ontstaan waren. Ook op de voor Nederland nieuwe zendingsterreinen elders in Azië, in Afrika en in Latijns Amerika werd veelal gekozen voor banden met bestaande kerken. Er werd minder aandacht besteed aan directe evangelieverkondiging. In de jaren ’50 en ’60 vonden daarnaast grote verschuivingen plaats binnen de oecumenische missiologie. De Internationale Zendingsraad (IMC) ging samen met de Wereldraad van Kerken (1961), een beslissingen waartegen vanuit de evangelische zendingsorganisaties fel tegen werd geprotesteerd.

Deze koerswijzigingen binnen de oecumenische zending verklaren voor een deel de oprichting van nieuwe evangelische zendingsorganisaties in deze jaren, die meestal tot de geloofszending konden worden gerekend. Ik zeg bewust ‘voor een deel’, omdat ik vind dat de evangelische zendingsbeweging van die tijd niet slechts als tegenbeweging verklaard mag worden. Het was vooral een nieuwe vorm van zending die beter paste bij een tijd van dekolonisatie, individualisering en beginnende globalisering. Terwijl de kerkelijke zending nog maar moeilijk kon overschakelen van het idee van volkskerstening naar een meer individuele benadering, werkten de evangelische zendingsorganisaties vanaf het begin vooral via het persoonlijke getuigenis. In de na-oorlogse jaren ontstonden onder andere Youth for Christ (1944), de International Fellowship of Evangelical Students (1947), Jeugd met een Opdracht (1956) en Operatie Mobilisatie (1957). Deze organisaties kenmerkten zich door een internationaal karakter. Ze hadden hun basis in meerdere landen, ook in de niet-westerse wereld. De kerkelijke zendingsorganisaties waren – en zijn – vaak nog gebonden aan westerse landen en kerken. Terwijl de oecumenische zending zich theoretisch diep bewust was van het principe dat zending vanuit alle zes de continenten gebeurde, was dit voor de jonge evangelische geloofszendingen vanaf het begin praktijk. Al deze organisaties hadden al vrij snel een Nederlandse tak.

Terwijl de oecumenische en de evangelische zending in de jaren ’60 nog tamelijk gepolariseerd waren, kwam het in de jaren ’70 in Nederland tot samensprekingen. Dat gebeurde onder andere in het Guntersteinberaad, vanaf 1973 geïnitieerd door de Wilde Ganzen en later in het missionair kwartaalberaad. De toenadering van de kerkelijke organisaties en de evangelische organisaties vond binnen de Nederlandse Zendingsraad uitdrukking in de ‘vijf regels van samenwerking’ die in 1984 voor het eerst aanvaard werden. Deze regels betroffen onder meer de fondsenwerving in Nederland en de partnerschappen in landen waar de zendingsorganisaties werkten. De weg was vrij voor aansluiting van geloofszending bij de Nederlandse Zendingsraad en dit gebeurde ook daadwerkelijk: Interserve, Wycliffe en de Leprazending sloten zich in de jaren ’80 en ‘90 aan. Zij werden in het eerste decennium van de 21e eeuw gevolgd door andere organisaties. De reden voor toetreding van deze organisaties hing enerzijds samen met de praktische samenwerking met kerkelijke organisaties en kwam anderzijds uit het verlangen om te leren van elkaar.

Uit dit korte historische overzicht concludeer ik dat de samenwerking tussen kerkelijke zending en geloofszending, die teruggaat tot de jaren ’20 en ’30 toen de genootschappelijke zending steeds dichter bij de kerken kwam en die in de polarisatie van de jaren ’60 en ’70 onderbroken werd, volop bloeit. Kerkelijke zendingsorganisaties delen graag in de expertise en de pioniersgeest van de geloofszending, terwijl de geloofszending andersom graag gebruik maakt van de kerkelijke structuren met het oog op fondsenwerving en ondersteuning. Gezamenlijke uitzendingen van een kerkelijke zendingsorganisatie en een geloofszending zijn niet ongewoon. Verder concludeer ik dat kerkelijke zendingsorganisaties zich ook weer bezighouden met pionieren, soms in de grote stedelijke centra van het zuiden, omdat hun oude partners minder om personele uitzendingen vragen. Andersom is het ook zo dat geloofszending te maken heeft met traditievorming en met oude partnerschappen en deze ook respecteert.

Bijbels-theologische overwegingen

De drie spanningsvelden tussen kerkelijke zending en geloofszending gaan dus terug tot diep in de Nederlandse protestantse zendingsgeschiedenis. We zien deze verschillende typen zending ook in de geschiedenis van de Rooms-Katholieke Kerk. De bisschoppelijke hiërarchie organiseerde zending, soms op een goede en soms op een minder goede manier, maar daarnaast was er de stroom van missionaire monastieke ordes. Ik denk dat deze spanning teruggaat tot de vroege kerk en illustreer mijn punt aan de hand van één hoofdstuk uit de Bijbel, Handelingen 11.

De spanning tussen verschillende wijzen van organiseren, zien we op diverse plaatsen in het Nieuwe Testament opduiken. Ook in Handelingen 11 is al sprake van een min of meer gevestigde orde van leiders en een veel losser charismatisch leiderschap. De twee vormen van geestelijk leiderschap gaan hier harmonieus samen. Het tweede deel van Handelingen 11 beschrijft de situatie in de jonge kerk van Antiochië. Daar waren veel van de jonge volgelingen van Jezus neergestreken die op de vlucht waren na de executie van Stefanus en de daarop volgende verdrukking. Barnabas werd als officiële gezant vanuit de gemeente van Jeruzalem naar Antiochië gestuurd en hij betrok Paulus bij het leiderschapsteam. Zij hadden gaven daar samen klaarblijkelijk het reguliere onderwijs. Maar er gebeurde meer. Want uit Jeruzalem kwamen ‘profeten’ (27) naar Antiochië, waaronder de bekende Agabus, en zij profeteerden dat een grote hongersnood zou uitbreken. De schrijver van Handelingen merkt dan op dat deze ook gekomen is en dat de leiders van de gemeente in Antiochië hierop reageerden door steun te zenden naar de christenen in Judea. Barnabas en Paulus werden afgevaardigd om deze steun over te brengen. (30) Elders in het Nieuwe Testament zien we overigens sporen van een minder harmonieus samenwerken van het kerkelijke establishment en de charismatische zending. In Markus 9: 38-40 klagen de discipelen dat ‘iemand die ons niet volgt’ een bediening van exorcisme heeft in Jezus’ naam. Jezus antwoordt daar: ‘Belet het hem niet.’ ‘Want wie niet tegen ons is, is voor ons.’

Handelingen 11 bevat ook een echo van de spanning op het gebied van financiering en ondersteuning van zendelingen. Want: door wie zijn Barnabas en Paulus nu eigenlijk uitgezonden en wie betaalt hen? Barnabas gaat van Jeruzalem naar Antiochië als uitgezondene, maar een jaar later zendt de gemeente van Antiochië hem weer terug. Het antwoord op de vraag naar de financiële structuur moeten we natuurlijk schuldig blijven. Daarin is het boek Handelingen niet geïnteresseerd. Barnabas was klaarblijkelijk een vermogend man, want over hem horen we eerder in het boek Handelingen dat hij een akker bezat, deze verkocht en het geld aan de apostelen gaf. (4:37) Het is niet ondenkbaar dat hij zijn apostolische werk uit eigen middelen financierde. Voor Paulus zou het echter een levenslange strijd blijven. Soms stelde hij zich afhankelijk van een plaatselijke gemeente, onder andere van de gemeente van Filippi (Fil. 4:15). Op andere momenten besloot hij echter zelf te werken om niet in het krijt te staan bij de gemeenten en zo de aandacht van het evangelie af te leiden (2 Kor 11:8-9, Hand 18:1-5 en 20:33-35). Dit alles suggereert overigens nog steeds een systeem van financiering dat dichter staat bij de geloofszending dan bij de kerkelijke zending. In de eerste decennia was de kerk eenvoudigweg nog onvoldoende geïnstitutionaliseerd voor een centraal financieringssysteem, hoewel de collecte voor de gemeente in Jeruzalem hier wel dichtbij lijkt te komen.

Het derde spanningsveld, tussen kerkelijke partnerschappen en pionierswerk, is misschien nog wel het meest evident in de vroege kerk. In de eerste stadia van de zending cirkelde deze spanning vooral rond het geschil over de zending onder de volken. In Handelingen 11 zien we dat de vluchtelingen uit de gemeente in Judea en Samaria zich naar het noorden en het westen begeven, maar het evangelie alleen onder joden verkondigen. Al eerder moest Petrus aan de christenen in Judea zijn visioen uitleggen, want zij keurden het af dat hij bij de heiden Cornelius te gast was geweest (11:3). De eerste, geïnstitutionaliseerde methode beperkte zich blijkbaar tot bezoek aan joodse gemeenschappen en botste frontaal op de pioniersgeest van, in dit geval, Petrus. En Petrus bleef zich deze kritiek uit de joods-christelijke hoek nogal aantrekken, zoals blijkt uit zijn gedrag dat later door Paulus gelaakt werd als huichelarij (Gal. 2: 11-14).

Als deze spanningsvelden inderdaad in de Bijbel al aanwezig zien, kunnen we concluderen dat ze op een of andere manier bij de kerk horen. Dan is niet de één goed en de ander fout, maar dan zijn beide uitdrukkingen van de ene Geest van God en horen beide bij de ene missie van God. Maar dan is het aan ons om ze niet tegen elkaar uit te spelen, maar ze te verbinden en de kracht van beide te benutten.

Ecclesiologische overwegingen

We kunnen de verschillende modellen dieper begrijpen als we kijken vanuit een ecclesiologisch perspectief. Met andere woorden: welke visie op de kerk, welke visie op het volk van God, zit achter ieder model? Ik loop de drie spanningsvelden nog eens langs.

Als het gaat om de organisatiestructuur – het spanningsveld institutioneel tegenover een lichte of losse organisatie – dan kunnen we vanuit de ecclesiologie de vraag stellen: waar ligt het gezag? De kerkelijke zending is geneigd om gezag te centraliseren. Soms wordt dit ecclesiologisch verantwoord door te verwijzen naar het apostolisch gezag gegeven aan de bisschop, aan de synode of aan een ander kerkelijke vergadering. In de episcopale en de presbyteriale structuur is het strikt genomen zo dat bij de bisschop, de synode of de vergadering van ouderlingen een zeker apostolisch gezag berust. Zij overzien de gemeente in de naam van Christus en zij zijn dus ook degenen die leiding geven aan de missie van de gemeente. Daar tegenover staat de nadruk op het spontane initiatief vanuit de gemeente van de geloofszending. In dit model is het priesterschap van alle gelovigen ontzettend belangrijk. De Geest is aan een ieder van ons gegeven, een ieder is geroepen Christus te vertegenwoordigen. Als er sprake is van gezag, dan ligt deze vaak bij de plaatselijke gemeente. Dat is dan ook de aangewezen groep christenen om de missie – dus ook overzeese uitzendingen – uit te voeren.

De vraag naar het verschil in financiële strategie is daarmee ook meteen beantwoord. Als de verantwoordelijkheid voor de missie van de kerk ligt bij een centrale instantie – bisschop, synode of ander kerkelijk lichaam – dan zal de financiering ook via die instantie verlopen. Als de verantwoordelijkheid voor de missie van de kerk ligt bij iedere individuele christen of bij de plaatselijke gemeente, dan zal de financiering op die schouders terecht komen.

Vanuit deze ecclesiologische onderscheiding krijgen we ook meer zicht op het verschil in missionaire methode. Het feit dat de kerkelijke zending hecht aan samenwerking met nationale, regionale of plaatselijke kerken elders in de wereld, heeft te maken met het feit dat apostolisch gezag wordt toegekend aan die kerken, hun ambtsdragers en vergaderingen. Als daar apostolisch gezag ligt – inclusief verantwoordelijkheid voor de missie van de kerk – dan mogen buitenlandse zendelingen en organisaties niet aan hen voorbij gaan. De geloofszending is veel congregationalistischer georiënteerd. De plaatselijke gemeente is wel belangrijk, maar een regionaal kerkverband of een nationale kerk hoeft niet noodzakelijkerwijs geconsulteerd te worden als een missionair initiatief elders wordt ontplooid. Bovendien ligt er sterke nadruk op de roeping van iedere individuele christen om het evangelie te verkondigen, waar of wanneer ook.

Tenslotte hebben deze visies op de kerk ook gevolgen voor de doelstelling van de zendingsorganisaties. Het is niet allesbeslissend, maar kleurt toch het missionaire streven. Kerkelijke zending is van nature gericht op planten, steunen en vooruit helpen van kerken, kerkelijke structuren, opleidingscentra. Het voortbestaan van kerken is ook een missionair doel. Geloofszending richt zich in de eerste plaats op verkondiging aan individuen en groepen zonder direct de vraag te stellen naar kerkelijke structuren. Natuurlijk lopen deze doelstellingen in de praktijk door elkaar heen, maar toch: kerkelijke zending houdt zich soms bezig met zaken die in de geloofszending als totaal secundair beschouwd worden, terwijl de geloofszending in de ogen van meer kerkelijke zendingsorganisaties soms wel erg voor de troepen uitholt.

Aanbevelingen voor samenwerking

Nu we de spanningsvelden tussen kerkelijke zending en geloofszending historisch, bijbels-theologisch en ecclesiologisch bekeken hebben, zijn er aanbevelingen toe doen voor samenwerking en alliantie tussen organisaties van de verschillende typen? Zoals ik al heb gezegd, geloof ik niet dat een van beide typen superieur is. Ik denk dat beide legitieme uitdrukkingen zijn binnen het ene lichaam van Christus en dat beide de missio Dei kunnen dienen.

In sommige gevallen komen zendingsorganisaties het beste tot hun recht als ze radicaal kiezen voor een van beide organisatiemodellen – dat hangt mede van de situatie af. Het werk van de geloofszending is rijk gezegend in situaties waar de kerk bijna of helemaal afwezig was en waar de overheid vijandig tegenover evangelieverkondiging stond. In zulke situaties was een flexibele, lichte organisatie nodig, gericht op het individu. Echter, in situaties waar reeds kerken ontstaan waren, heeft de kerkelijke zending hen op krachtige wijze in hun missie kunnen ondersteunen, hetgeen tot een grote oogst geleid heeft. Het kan daarom zo zijn dat geloofszending en kerkelijke zending onafhankelijk van elkaar hun werk moeten doen en elkaar het ook gunnen om dat werk te doen.

Echter, veel situaties zijn complex en gelaagd. Neem bijvoorbeeld China vandaag: er is een geregistreerde en een niet-geregistreerde kerk; er is een overheid die het de kerk nu eens heel moeilijk maakt en zich dan weer redelijk welwillend opstelt. Hoe kunnen Nederlandse zendingsorganisaties betrokken zijn bij de kerk in China vandaag? In het China Forum van de EZA en de NZR is de afgelopen jaren duidelijk geworden dat de geloofszending en de kerkelijke zending elkaar in deze kunnen versterken en dat beide een eigen rol hebben te spelen.

Als tweede voorbeeld noem ik het Midden-Oosten, momenteel een politiek zeer instabiel gebied. Vanuit Nederland heeft zowel de geloofszending als de kerkelijke zending initiatieven ontplooid in de regio. In mijn ogen is het uiterst belangrijk dat ze samen optrekken. Want de begeesterde geloofszending is in staat om op flexibele wijze in zeer gesloten situaties te opereren. De kerkelijke zending heeft uitstekende banden met de oude christelijke gemeenschappen van het Oosten en kan het missionaire werk van deze gemeenschappen ondersteunen. De eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat jonge, bevlogen christelijke gemeenschappen en oude, traditionele kerken in het Midden-Oosten nogal eens op elkaar botsen. Soms brengt de ene groep de andere in gevaar. Als vanuit de Nederlandse zending nauwe samenwerking en eenheid wordt betracht, dan kan dat alleen maar positief uitwerken op de christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten en op hun getuigenis in die moeilijke situaties.

Wat betreft financiering signaleer ik de trend dat kerkelijke en geloofszending steeds dichter bij elkaar komen, zowel in financierende groepen als in methoden voor fondsenwerving. Ook daarin zou mijn aanbeveling zijn om samen op te trekken, in de geest van een van de vijf regels voor samenwerking van de NZR. De geloofszending heeft een sterke financiële basis in de kerken. Voor de kerkelijke zending is daardoor het moeilijker geworden om fondsen te werven binnen de eigen achterban. De geloofszending is de kerkelijke zending daarom schatplichtig. Andersom heeft de kerkelijke zending geprofiteerd van de door de jaren heen opgebouwde wijsheid van de geloofszending als het gaat om thuisfrontcommissies en betrokkenheid van de gemeente bij de zending. Daarin moeten we elkaar vasthouden en, wederom, elkaar veel gunnen. Wat we vooral niet moeten doen op dit gebied is een competitie aangaan om de gunsten van Nederlandse christenen alsof het zou gaan om een commerciële slag. Dat gaat in tegen zowel de principes van de geloofszending als de kerkelijke zending. Laten we ook in ons taalgebruik laten horen dat we een geestelijke visie op de financiële kant van zending hebben en termen vermijden die met de markt te maken hebben.

Tenslotte nog de hamvraag: beletten de verschillende missionaire methoden een goede samenwerking tussen kerkelijke zending en geloofszending? Kunnen voorzichtige zoekers naar partnerschappen samenwerken met enthousiaste evangelisten? Misschien is dit uiteindelijk wel de vraag naar de verhouding tussen oecumene en zending. Hier liggen heel wat obstakels en heel wat oud zeer. Denk bijvoorbeeld aan de discussie over proselitisme en nominaal christendom die al jarenlang wordt gevoerd tussen orthodoxen en katholieken enerzijds en protestanten anderzijds. Uiteindelijk denk ik dat samenwerking mogelijk is en dat we elkaar ook in missionaire methoden kunnen versterken als we onszelf durven laten corrigeren door de ander. Traditionalisten die werken volgens het model van de kerkelijke zending moeten zich door de geloofszending terug durven laten roepen tot de eenvoudige verkondiging van het evangelie. Enthousiastelingen uit de geloofszending moeten zich door de kerkelijke zending durven laten corrigeren als hun pionierswerk het bestaande werk schade toebrengt.

Uiteindelijk is gehoorzaamheid voor mij de basis van goede samenwerking: gehoorzaamheid aan elkaar, aan de stem van de Geest door de ander. Want in het luisteren naar de ander en het gehoorzamen aan wat de Geest door de gemeente zegt, worden de obstakels die wij in de weg van Gods missie leggen opzij geschoven en komt er ruimte voor het werk van God in deze wereld.

Wilbert van Saane
Utrecht, oktober 2012

Reacties

Er zijn nog geen reacties op deze blog

Reageer op deze blog


Verplicht maar verborgen