Nederlandse Zendingsraad
Eenheid in Zending

Meer verdieping

Uitgelicht: Christopher J.H.Wright

woensdag, 3 oktober 2012
Bekijk verdieping

Oratie Gert Noort

dinsdag, 15 oktober

Op 11 oktober vond aan de Theologische Universiteit Kampen de inauguratie plaats van NZR-directeur Gert Noort als bijzonder hoogleraar (in deeltijd) op de David Bosch Chair for the Comparative Study of Mainline Protestant and Evangelical Mission. De titel van de rede luidde: Heil in missionaire samenwerking. Missiologische kanttekeningen bij convergentie van visies en praktijken. Onderstaand treft u de uitgesproken tekst van de oratie aan.

Oratie Gert Noort

Op het kantoor van de Nederlandse Zendingsraad, in Driebergen, hangt een print van de Japanse kunstenaar Watanabe, getiteld 'Oikumene'. Het daarop zichtbare bootje met het kruis is een bekend symbool voor oecumene, de samenwerking van kerken. Door de invulling die Watanabe eraan geeft – met de regenboog, de mensen in de boot en de duiven – kun je het ook breder zien: als verwijzing naar de ark van Noach, naar Gods trouw aan de hele bewoonde wereld, en naar het herstel van alle dingen door het werk van Christus en Gods Geest. Watanabes voorstelling gaat over goed nieuws, over heil.

Over de soteriologische kwestie, over de vraag wat het heil inhoudt, is in missionair werk en missiologie veel te doen geweest. En in feite is dat nog steeds zo, want elke tijd vergt een contextuele doordenking daarvan. Om die reden richt het Centre for Church and Mission in the West, hier aan de Theologische Universiteit Kampen, zich ook op onderzoek naar het verstaan van heil in de 21e eeuw. Ook ik hoop dat in het kader van deze onderzoeksgroep de komende jaren mijn bijdrage te leveren. Mij zal het daarbij gaan om het verstaan van heil in missionair werk van mainline protestanten en evangelicals, en om de rol die dit speelt in hun samenwerking. Of, om het perspectief even te laten kantelen, zien zij überhaupt wel heil in missionaire samenwerking?

Het is nauwelijks mogelijk om de twee genoemde stromingen – mainline protestantse en evangelicale zending – in een paar woorden te typeren, maar ik probeer dat toch. In de publicatie, die naderhand wordt uitgedeeld, sta ik uitvoeriger stil bij deze niet onproblematische termen. Mainline protestantse zending gebruik ik kortweg als aanduiding voor missionair werk dat zich verbonden weet aan de Wereldraad van Kerken en institutionele oecumene, terwijl evangelische zending zich oriënteert op de Lausanne Beweging en de zendingscommissie van de World Evangelical Alliance. Binnen de internationale missionaire beweging – en daar hebben we het over – is dit een wat ongenuanceerde, maar verdedigbare typering. De vraag naar heil in missionaire samenwerking zal ik in drie punten bespreken. Allereerst kijken we terug naar het verleden, vervolgens plaats ik kanttekeningen bij convergentie en divergentie in missionaire visies en praktijken, en tot slot zal ik wijzen op impulsen voor een voortgaande dialoog.

I   Terugblik

Hoe verhielden mainline protestantse en evangelicale zending zich in het verleden tot elkaar? Terugblikkend op het na-oorlogse tijdvak, kenmerkten de jaren zestig en zeventig zich door groeiende polarisatie, in de jaren tachtig tekende zich een diepe kloof af, in de jaren negentig is toenadering zichtbaar, terwijl de periode na de millenniumwisseling zich kenmerkt door convergentie. Ik beperk me hier tot de jaren zestig tot tachtig en maak dan een sprong naar de huidige tijd.

In 1961 stelde de Wereldraad van Kerken een departement voor zending en evangelisatie in. De afdeling had als statutaire taak om de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus in de hele wereld te bevorderen, en wel ‘to the end that all men may believe in Him and be saved’. Zending als uitnodiging tot geloof en behoud stonden daarin centraal. Maar al snel ontstond onenigheid over de interpretatie van deze doelstelling. Mainline protestanten als de Nederlandse theoloog Johannes Hoekendijk vonden deze doelstelling ‘embarrassingly out of date’, terwijl evangelicalen als de Amerikaanse missioloog Donald McGravan het accent wilden blijven leggen op het behoud van de ziel. Dit divergerende interpretatieproces werd in 2016 door Craig Ott – in het boek The Mission of the Church – ook wel aangeduid als een ‘erosion of consensus’. 

Die erosie werd pijnlijk zichtbaar naar aanleiding van het Wereldraad-rapport Renewal in Mission, van 1968. Evangelicals waren zeer kritisch op de daarin verwoorde visie dat zending de uitnodiging is om op te groeien ‘into full humanity’. Polarisatie groeide snel. Evangelicals stelden de vraag ‘Ken je de Heer?’ centraal, terwijl mainline protestanten eerder vroegen ‘Ken je de wereld?’ In beide gevallen was de vraagstelling soteriologisch van aard, maar waarván mensen gered moesten worden, werd verschillend beantwoord. De theologische posities groeiden zo uit elkaar dat de Ierse zendingsman Max Warren in 1978 zelfs het ontbreken van een ‘common language’ constateerde. Hoekendijk liet zich in vergelijkbare termen uit. Hij sprak van een ‘Evangelical Curtain’, een soort ijzeren gordijn dat grensverkeer en dialoog ernstig bemoeilijkte. Het is in dat perspectief niet verrassend dat evangelicals in de jaren zeventig hun eigen missionaire zuil oprichtten. In samenwerking zagen zij geen heil meer. Zo kwam in 1974 de Lausanne Movement tot stand, die de ‘unfinished task of evangelization’ hoog in het vaandel hield.

Deze polarisatie over het heil ging aan Nederland niet voorbij. De relatie van ‘kerkelijke’ en ‘geloofszending’ was moeizaam. In 1973 kwam daarom het zogenaamde Guntersteinberaad tot stand, dat tot 1995 zou fungeren als informele ontmoetingsplek voor oecumenische en evangelische zending. De doelstelling van het beraad verraadt de bestaande polarisatie, want deze luidde, enigszins eufemistisch: ‘het bespreken van uitdagingen voor zending, evangelisatie en van controverses daarover’. Het beraad begon dan ook met het inventariseren en uitspreken van ‘wederzijdse wrijfpunten en irritaties’. Evangelische zendingsorganisaties voelden zich niet serieus genomen en zelfs ‘constant gediscrimineerd’. Oecumenische gesprekspartners ergerden zich aan verwijten dat zij neo-marxistische en universalistische ‘wereldraad-theologie’ zouden aanhangen en zij niet aan ‘echte’ zending deden. Het Guntersteinberaad nodigde in 1981 de Zuid-Afrikaanse missioloog David Bosch uit als spreker op hun tweede dagconferentie. Bosch – naamgever van de leerstoel waaraan ik verbonden ben – trad in de jaren tachtig namelijk naar voren als bruggenbouwer tussen de oecumenische en evangelicale missionaire beweging. Hij pleitte ervoor om de polarisatie om te buigen naar een ‘creative tension’.  

Een jaar eerder, in 1980, had Bosch – in zijn publicatie Witness to the World – juist de áfwezigheid van theologische creativiteit in de missionaire relaties geconstateerd. De polarisatie was volgens hem compleet: verkondiging stond tegenover christelijke presentie, verlossing tegenover humanisering, redding van de ziel tegenover bevrijding en revolutie. Bosch probeerde een creatieve spanning te bewerkstelligen door de eenzijdigheden van beide posities kritisch te benoemen.

Oecumenische missiologie verweet hij vooral een eenzijdig accent op humanisering als gestalte van heil, maar hij signaleerde ook een ecclesiologisch tekort. In de missiologische drieslag ‘God – wereld – kerk’ lag het accent zo sterk op de wereld en het Koninkrijk dat de kerk een marginale rol speelde. Was de kerk bij Hoekendijk hoogstens een noodvoorziening, het rapport van de wereldzendingsconferentie te Melbourne, in 1980, noemde de kerk een ‘teken van schuld’. De kerk was schuldig omdat zij actief of passief deelgenomen had aan uitbuiting en onderdrukking. Bosch constateerde dat dit leidde tot een meedogenloze zelfkastijding. Het oecumenische accent op het Koninkrijk, op Gods werk in de wereld en dus buiten de zondigende kerk, leidde volgens hem tot een ecclesiologische en soteriologische omkering van het adagium ‘extra ecclesiam salus non est’ naar ‘in de kerk is geen heil’. Bosch erkende dat de kerk zich het lot van de armen te weinig had aangetrokken, maar hij hekelde de theologische eenzijdigheden. Het leidde volgens hem tot de prediking van een emaciated gospel, een vermagerd evangelie.

Evangelicals rekende Bosch aan dat ze Christus feitelijk niet erkenden als heer van de kosmos. Hij bekritiseerde de eenzijdige persoonlijke ethiek, die zozeer neigde naar de redding van de ziel dat ze de wereld – en het bewaren en redden daarvan – uit het oog verloor. Het jenseitige aspect van evangelische missiologie had volgens hem dualistische trekken en dreef een wig tussen de individuele gelovige en de naaste. Bosch typeerde de evangelicale visie op het heil als een diluted gospel, een verwaterd evangelie.

 

II   Convergentie en divergentie

Van 1980 maak ik een grote sprong naar de 21e eeuw en kom daarmee toe aan mijn tweede punt, namelijk over convergentie en divergentie in visies en praktijken van beide stromingen. Martien Brinkman sprak in 1997 van ‘ingrijpende frontverschuivingen’ en toenemende convergentie in hun denken. Het is niet mijn intentie om de verschuivingen uitputtend te bespreken, maar ik wijs op een viertal factoren die bijdroegen aan convergentie.

a. Gezamenlijke uitdagingen

Als belangrijke factor in de frontverschuivingen noemt Brinkman dat beide stromingen ontdekten voor gezamenlijke uitdagingen te staan, zoals de – ook in Nederland –urgente nieuwe inculturatie van het evangelie. Mainline protestanten erkenden in de context van kerkverdamping en secularisatie niet alleen hun verlegenheid met de missionaire opdracht, maar ook de urgentie daarvan. Nieuws- en leergierig begonnen ze te kijken naar missionair werk in evangelicale kring. ‘Missionair mág weer’, luidde in 2003 de onthullende titel van een oecumenische tijdschrift. Omgekeerd ontdekten evangelicals dat evangelische gemeenten ook een achterdeur hadden. Niet alleen ontdekten ze dat secularisatie ook in hun achterban leidde tot kerkverlating, maar dat – alle masterplannen voor evangelisatie ten spijt – een nieuwe ‘Great Awakening’ niet tot stand kwam.

 b. Afname confessionalisme

De nieuwe openheid om ván en mét elkaar te leren, kunnen we niet los zien van een tweede factor, namelijk de afname van confessionalisme en een verschuiving van orthodoxie naar orthopraxie. Cees van der Kooi wees daarop onlangs in verband met de ‘Verklaring van Verbondenheid’, die tijdens de laatste Nationale Synode werd ondertekend. Deze ontwikkeling leidde tot een toenemend accent op spirituele oecumene en het zoeken van verbinding. De christelijk-gereformeerde predikant Jan Wessels schreef in die context dat het niet meer gaat om ‘ons eigen gelijk vastgelegd in doctrines en confessies’, maar om de gezamenlijke uitdaging ‘in woord en daad Jezus Christus en het Goede Nieuws over Hem bij de mensen te brengen’. Hij typeerde dit als een verschuiving van een confessionele identiteit naar een gedeelde roeping.

c. Evangelisatie en dienst

Een derde factor betrof de grote convergentie in het denken over de verhouding van evangelisatie en dienst aan de samenleving. Zowel de Wereldraad van Kerken als ook Lausanne erkennen een nevenschikking van evangelisatie en diakonaat. Het begrip ‘integrale zending’ heeft in evangelische kringen breed ingang gevonden. En de Wereldraad legt inmiddels een groot accent op de uitnodiging tot ‘Christ-connected discipleship’, als onvervreemdbaar onderdeel van christelijke zending. De polariteiten die Bosch benoemde, bekering versus presentie en verlossing versus humanisering worden veel minder sterk gevoeld dan in het verleden. Of, om het te zeggen met de woorden van missioloog Bas Plaisier, oud-scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, de relaties tussen de evangelicale en oecumenische stromingen is ‘stormachtig verbeterd’.

d.  Pentecostale theologie

De Schotse missioloog Kenneth Ross wees in 2018 op een vierde factor, namelijk de heilzame invloed van pentecostale missiologie op de ontmoeting van oecumenische en evangelicale zending. De pneumatologische accenten in de oecumenische zendingsverklaring Together Towards Life, van 2013, beschouwt hij als intentioneel teken van convergentie, dat erop gericht was om ‘the wounds of division in world mission’ te helen en een bijdrage te leveren aan een ‘cooperative relationship’ en ‘common witness’. De evangelicale Britse missiologe Kirsteen Kim – vice-voorzitter van CWME, de zendingscommissie van de Wereldraad van Kerken – is aanmerkelijk kritischer. Zij beschouwt Together Towards Life als een convergentietekst die een gebrek aan innerlijke consistentie vertoont, en waarin iedereen wel paragrafen aantreft die passen bij de eigen missiologische positie. Ze heeft een punt. Want evangelicals citeren bij voorkeur de paragrafen over evangelisatie en de oproep tot bekering, maar mainline protestanten wijzen graag op de gedeelten over ‘transformative mission’ en ‘mission from the margins’. Oude tegenstellingen schemeren in de betreffende paragrafen inderdaad door. De gemaakte keuze voor een pneumatologische raamwerk wijst inderdaad op missiologische convergentie. Het plaatst zowel transformatief discipelschap als uitnodigende verkondiging in de bedding van het werk van Gods Geest. Contextueel discipelschap en getuigenis vloeien voort uit missionair ‘discernment’, uit het onderscheiden van ‘the affirmation of life’, oftewel zien waar de Geest in deze wereld leven schenkt en versterkt. Maar de tekst van de zendingsverklaring, stelt Kim, is in feite minder inclusief dan die op het eerste gezicht lijkt. Het blijft toch vooral een document waarin oecumenische zending zich herkent.   

Wie in missionaire kring opvattingen over het heil nagaat, constateert evenals Kim dat visies op belangrijke punten nog steeds ver uiteenlopen. Dat geldt niet meer zo zeer voor de kwestie van verkondiging versus bevrijding, of voor het bijeen horen van getuigenis en dialoog. Op die punten is daadwerkelijk sprake van opmerkelijke convergentie. Maar naast deze convergentie in het missiologisch denken is er op belangrijke punten sprake van divergentie. De gevoeligste kwestie daaronder is wel de theologie van de godsdiensten en missionaire praktijken om ‘onbereikte volken’ te winnen voor het evangelie. Wanneer het in ontmoetingen van mainline protestantse en evangelicale zending gaat over ‘onbereikten’, dan verandert de recent vaak bejubelde missionaire verbinding en spirituele oecumene soms rap in onderlinge vervreemding. Evangelicals ergeren zich dan vaak aan het ontbreken van zendingsvisie bij mainline protestantse zending (Doen ze wel aan ‘echte’ zending?). Gereformeerden plaatsen vraagtekens bij een overspannen bekeringsactivisme (Vertrouwen ze er wel op dat zending Gods werk is?). En mainline protestanten uiten hun verontrusting over de arrogantie van evangelicale bekeringsijver (Respecteren ze het geloof van de ander wel?).  

 

III   Nieuwe impulsen

Ik kom toe aan mijn derde punt: Welke impulsen zijn er nu om het gesprek over het heil een stap verder te brengen?

Ik noem er twee:

1. Bryan Stone

Ten eerste noem ik een kwestie die Bryan Stone, hoogleraar evangelistiek in Boston, ons voorlegt. In zijn boek Evangelism after Christendom (2007) – en niet minder in zijn recent uitgegeven Evangelism after Pluralism (2018) – pleit hij voor een reconstructie van missionair werk door het rendementsdenken los te laten. Missionaire programma’s, schrijft hij, lijken gevangen te zitten in modellen en strategieën die een bepaald product moeten opleveren: bekering, discipelschap, kerkgroei, ontwikkeling of sociale transformatie.

Maar zending en evangelisatie, stelt Stone, gaan niet over de productie van sociale transformatie of aantallen nieuwe kerktoetreders, maar vinden hun kern in de getuigende kwaliteit van de gemeente. Hij pleit voor een verschuiving van ‘what works?’ (van een accent op missionair rendement) naar de vraag ‘what saves?’ (van welke afgronden in het menselijk leven moeten we bevrijd worden?). Deze oproep tot reconstructie komt niet uit de lucht vallen. Het raakt aan discussies, zowel in mainline protestantse als in evangelicale zending, over missionair werk dat gedefinieerd wordt in project- en managementtermen, dat target-gericht is en dat de ander instrumentaliseert als missionair object. Hoekendijk verwierp in dat verband radicaal ‘any programmed action for global evangelization’. Hij vermoedde daarin een triomfalistische attitude, die niet past bij het karakter van Gods missie. Maar anders dan Hoekendijk, stelt Stone een ‘ecclesial turn’ voor. Het beste dat we in missionair werk kunnen doen, stelt Stone – in navolging van de mennonitische theoloog John Yoder – is de vorming van heilzame alternatieve gemeenschappen. Het gemeenschapsleven van de gemeente is in zichzelf bij uitstek missionair, niet de op rendement gerichte projecten. Uiteindelijk, stelt Stone, moeten missionaire organisaties de teleologische vraag stellen: wat is het uiteindelijke doel van zending, waarop moet het uitlopen? Tegenover missionair denken in termen van effectiviteit en impact stelt hij hier gehoorzaamheid: We mogen in gehoorzaamheid getuigen, zodat ‘the alluring and “useless” beauty of holiness can be touched, tasted and tried’. Dit stelt kritische vragen bij missionair werk dat in projecttermen is geformuleerd en vraagt om een hernieuwde bezinning op de missionaire ecclesiologie. Dragen projecten van zendingsorganen bij aan de vorming van heilzame alternatieve gemeenschappen?

2. Amos Yong

Een tweede impuls komt van de in Maleisië geboren Amerikaanse pentecostale hoogleraar Amos Yong. Hij pleit – onder meer in zijn boek The Missiological Spirit (2015) – voor een doordenking van de theologie van de godsdiensten vanuit een pneumatologisch-oecumenische hermeneutiek, die uitgaat van de uitstorting van de Geest op álle vlees en het door álle mensen gedeelde beelddragerschap van God.

Yong vindt het problematisch om de verhouding van christelijk geloof en de religies antithetisch te duiden. Het bijbelse heilsnarratief van Pinksteren interpreteert hij als een teken dat het werk van de Geest álle aspecten van het leven omvat, met inbegrip van de religieuze dimensie van het menselijk bestaan. Hij zoekt daarmee naar een interpretatie van bekering die ruimte biedt voor culturele identiteit, met inbegrip van de religieuze dimensie daarvan. Het religieuze anders-zijn, zegt hij, mag niet uitgesloten worden van de zoektocht naar een authentieke contextualiteit van het christelijk geloof. Het gaat hem om de vraag hoe ‘religious otherness’ de oproep tot navolging van Christus duidt en kleurt: De ‘particular experiences’ van mannen en vrouwen, oud en jong, Jood en Griek, zelfs van de moslim en hindoe ‘can be seen to give particular testimony to the nature of humankind and of humanity’s relationship to God’.

Hij zoekt daarbij naar – wat hij noemt – een robuuste pneumatologische theologie van de godsdiensten die kruisvormig is. De gedeelde humaniteit, de ‘geschapenheid’, vormt het ontmoetingspunt in de relatie van christenen en andersgelovigen. En het kruis verbindt ons met het lijden van de wereld. Maar niet elke geest is uit God, zegt Yong, niet elke dimensie van andere culturen heft ons op tot God. De Geest getuigt van Christus en brengt mensen ertoe hem als Heer te belijden. Yongs pneumatologische visie daagt met zijn visie zowel evangelicale als ook mainline protestantse missie uit om hun eigen traditie kritisch tegen het licht te houden. Een paar korte overwegingen daarbij:

Yongs denkbeelden over de verlossing van de ‘religious sphere of human life’ dagen evangelicalen uit om de missiologische drieslag ‘God – wereld – kerk’ opnieuw te doordenken. Er is breed draagvlak ontstaan voor integrale zending die intentioneel gericht is op alle dimensies van het leven, maar onduidelijk is of deze brede evangelicale heilsvisie ook een missiologische vertaalslag krijgt naar de verhouding van Christus en de godsdiensten. In evangelicale visies op zogenaamde insider movements ­–  volgelingen van Jezus die deel blijven van de islamitische of hindoeïstische  gemeenschap waarin zij zijn opgegroeid – lijken op dit punt ingrijpende veranderingen zichtbaar te worden. Maar deze theologische benaderingen zijn in evangelicale kring met enige regelmaat onderwerp van controverse.

De vraag die Yong aan oecumenische missiologie stelt, is die naar de verhouding van pneumatologie en christologie. Niet elke geest is uit Christus, stelt Yong. De oecumenische zendingsverklaring Together Towards Life voert ‘the affirmation of life’ aan als criterium om het werk van God in deze wereld te onderscheiden. Maar kunnen we in elke beweging die op versterking van het leven gericht is, het werk van ‘the life-affirming Spirit’ herkennen? Ondanks de trinitarische inzet van deze zendingsverklaring, wordt niet goed helder hoe het levensversterkende werk van de Geest verbonden is aan Christus’ confrontatie met de machten, met de ‘life-denying spirits’ (meervoud), in zijn kruisdood en opstanding. Yongs kruisvormige pneumatologie daagt op dit punt beide missionaire stromingen uit tot verdere reflectie.

De komende jaren hoop ik – samen met de collega’s van de onderzoeksgroep – een bijdrage aan de doordenking van deze impulsen te kunnen geven. Breder onderzoek naar visies en praktijken van mainline protestantse en evangelicale zendingsorganen zal daarvan een integraal onderdeel zijn. Watanabes kunstwerk vormt voor mij daarbij een referentiepunt, want zijn voorstelling bepaalt ons bij het grotere verhaal, namelijk over het goede nieuws van God voor de hele bewoonde wereld, zichtbaar in het kruis van Christus en in de Geest die ons niet wordt onthouden.  

Reacties

Er zijn nog geen reacties op deze blog

Reageer op deze blog


Verplicht maar verborgen