Een stille opwekking? Stil is het allang niet meer, en of er daadwerkelijk sprake is van een opwekking, is nog maar de vraag. Maar duidelijk is wel: steeds meer Nederlanders weten de weg naar kerk en geloof te vinden — ook mensen met een seculiere achtergrond. Wat verstaan zij onder ‘heil en redding’, en wat kan dit betekenen voor kerk en theologie?
Ordinary soteriology
De afgelopen jaren is er veel aandacht voor het thema heil in relatie tot missiologie. Daar zijn twee belangrijke redenen voor. De eerste is de gedachte dat een soteriologie waarbij het accent vooral ligt op het plaatsvervangend lijden en sterven van Christus onvoldoende aansluit bij seculiere westerlingen. Bovendien zou zij geen recht doen aan aarde, lichaam en onrecht in de wereld. De tweede reden, die met de eerste samenhangt, is dat er bij christenen — en in het bijzonder bij pioniers en voorgangers in missionaire contexten — verlegenheid en onduidelijkheid bestaat over wat ‘heil en redding’ precies inhoudt.
Een soteriologie van bovenaf is er al: een heilsleer neergeslagen in kerkelijke documenten en in academische theologie. Als je het christelijk geloof als een huis ziet, zou je dit de studeerkamer op zolder kunnen noemen. De laatste jaren is er daarnaast veel aandacht voor wat ik een soteriologie van opzij noem: ervaringen van missionaire pioniers en mensen actief in pioniersplekken. Zij blijken dus verlegenheid te ervaren — theologie vanuit de speelkamer of de schuur, zou je kunnen zeggen. De stem die nauwelijks gehoord wordt, is die van de toetreders zelf: mensen die tot geloof zijn gekomen. Hoe kijken zij aan tegen heil en redding? Dat is een soteriologie van onderaf, vanuit de kelder van het huis.
Vorig jaar deed ik onderzoek naar deze ordinary soteriology aan de hand van literatuuronderzoek, cijfers en diepte-interviews met acht toetreders. Dit waren autochtone Nederlanders die opgegroeid waren in een seculiere omgeving. Met het concept ordinary soteriology sluit ik aan bij de beweging van ordinary theology van Christie en Astley.
Elders heb ik drie denkduwtjes gegeven over wat toetreders onze kerken kunnen leren. Hier wil ik dieper ingaan op de achtergronden en de vragen die dit oproept voor theologie en missionaire praktijk.
Het belang van de stem van onderaf
Voor mensen met een hart én een hoofd voor missie is het vanzelfsprekend: context doet ertoe. Hoe het Evangelie van Jezus landt — of juist niet — staat niet los van iemands levensomstandigheden, maatschappelijke inbedding, familierelaties en economische situatie. Mensen die werken in een andere cultuur zijn zich daar terdege van bewust, en ook missionaire pioniers hebben daar vaak oog voor. In veel kerken is die contextuele fijngevoeligheid minder aanwezig, omdat men voortborduurt op een traditie die geworteld is in een periode dat Nederland een cultuurchristelijk land was.
Met contextuele fijngevoeligheid sluit je aan bij het leven van mensen en zoek je naar waar het Evangelie bevrijdend, reddend, spiegelend en schurend werkt. Een soteriologie van onderaf gaat nog een stap verder: uit de verhalen van mensen die tot geloof komen, destilleer je wat het goede nieuws is, wat redding is.
Maar een kanttekening is hier op zijn plaats. Dit betekent niet dat ik ervoor pleit een soteriologie uitsluitend te baseren op de ervaringen van toetreders. Je laat de spelregels van het voetbal ook niet bepalen door mensen die voor het eerst een potje meespelen. Waar het om gaat, is dat een volledige soteriologie de verschillende stemmen een plaats geeft: die van boven, van opzij en van beneden. Dat past bij een protestantse theologie waarin het ambt van alle gelovigen van groot belang is.
Rust is het dominante thema in het toetredingsproces, het meest aantrekkelijke element van het christelijk geloof én het ‘resultaat’ ervan.
Wat zegt die stem dan?
Maar wat zeggen de stemmen van voormalig seculiere toetreders nu eigenlijk? Uit de eigen interviews en vergelijkbaar onderzoek komt één element heel nadrukkelijk naar voren: rust. Rust is het dominante thema in het toetredingsproces, het meest aantrekkelijke element van het christelijk geloof én het ‘resultaat’ ervan.
Daarbij gaat het allereerst om identiteitsrust: innerlijke vrede over het eigen bestaan. Zoals een van de geïnterviewden zei: “Ik voelde dat ik gered was toen ik God geloofde en dat ik op dat moment die rust kreeg die ik al die tijd najoeg — in van alles en nog wat, maar eigenlijk nooit vond.” Anderen gaven hetzelfde aan: een heel basale rust dat niet alles van jezelf afhangt. Iemand beschreef hoe die rust zit in grote dingen, zoals rust over de toekomst, maar ook in kleine dingen, zoals je sleutels terugvinden. “En hoeveel rust het geloof je brengt. Hoe het ervoor zorgt dat je veel minder loopt te piekeren. Ja, en dat je bij jezelf denkt: eigenlijk is het goed zoals het is. Dat is wat geloof voor mij betekent: rust.” Bij geen van de geïnterviewden was het overigens een gemakkelijke rust — het ging om rust door strijd heen, en ondanks allerlei moeilijkheden in het leven.
Een tweede element van rust, vaak verweven met de identiteitsrust, is rust in de vorm van een zinvol leven. Het geloof geeft zin aan het leven: je bent opgenomen in een groter verhaal en een grotere gemeenschap. Dingen vielen op hun plek en kregen betekenis.
Slechts twee van de acht geïnterviewden noemden uit zichzelf iets over vergeving.
Uiteraard kwamen ook andere elementen naar voren rond redding, heil en het goede nieuws. Opvallend daarbij was dat het tot geloof komen voor veel toetreders daadwerkelijk een verandering in het dagelijks leven betekende: van minder stress tot verandering in karakter (zoals meer geduld), en andere prioriteiten — niet alleen bidden en bijbellezen, maar ook de keuze voor een andere baan, inzet voor de kerk en een verbeterde relatie met familieleden.
De invloed van de stem van de studeerkamer
Elk gesprek startte met één vraag: “Kun je je geloofsreis beschrijven als een soort boek, en begin dan maar met hoofdstuk 1.” Dat leidde tot mooie, lange en gelaagde verhalen. Op een bepaald moment klonk de stem van de studeerkamer echter heel duidelijk door. Helemaal aan het einde stelde ik de vraag: “Hoe zou jij het Evangelie in één minuut vertellen?” Zonder uitzondering noemden mensen Jezus die naar de aarde kwam, aan het kruis stierf voor de zonden van de wereld en opstond uit de doden — terwijl slechts twee van hen eerder in hun verhaal vergeving hadden genoemd, en Jezus bij de meesten zelfs helemaal niet ter sprake was gekomen. Deze vraag triggerde kennelijk een van buiten geleerd antwoord dat minder resoneerde in hun eigen leven.
Wat als mensen met verhalen van rust de kerk binnenkomen, en er daar nauwelijks expliciete aandacht voor is?
De kelder als ingang
Als de kerk een huis is en mensen niet binnenkomen via de deur van de studeerkamer — heil en kruis — maar via de kelder, via heil als rust, wat moet je daar dan mee?
Een optie is om mensen in de kelder te onderwijzen vanuit de studeerkamer: hun laten zien dat ze het niet goed zien en hun de leer van boven aanreiken. Niemand zal dat zo expliciet voorstaan. Toch is dit in de Nederlandse praktijk wellicht de werkelijkheid: via Alpha-cursussen en catechese stoppen we er de juiste kennis in. Kennisoverdracht is zeker een belangrijk element — mensen die binnenkomen hebben vaak behoefte aan kennis en kaders. En soms is een tegenstem ook goed. Als mensen binnenkomen met ideeën over de verbinding tussen geloof en natiestaat, over het aflezen van iemands geloof aan zijn ecologische voetafdruk, of over de onderdanigheid van vrouwen aan de man — dan vraagt dat meer dan een hartelijk welkom. Het vraagt ook inwijding en kennisoverdracht.
Maar vruchtbaarder is een wisselwerking tussen kelder en studeerkamer. Wat als mensen met verhalen van rust de kerk binnenkomen, en er daar nauwelijks expliciete aandacht voor is? Wellicht lichten in de kelder nieuwe elementen van Gods heil op voor onze tijd en situatie.
Rust is iets wat toetreders vinden in kerk en geloof, maar er zijn nauwelijks woorden voor. Blijkbaar preachen kerken niet wat ze wel practicen. Sinds de interviews lees ik de Bijbel deels met andere ogen en valt me op hoe vaak ‘rust’ wél opduikt in de verhalen. Het licht uit de kelder werpt voor mij nieuw licht op het Evangelie. Verhalen uit de kelder geven huiswerk voor de studeerkamer: nieuwe ideeën om te toetsen en te verdisconteren in de theologie en de praktijk van het kerk-zijn.
Een rondgang door het huis
En dan hebben we het nog maar over de kelder en de studeerkamer van het huis van het geloof. Het is belangrijk om samen dat hele huis door te lopen: de woonkamer van het samenleven, de keuken van het delen van de maaltijd met mensen van binnen en buiten het huis, de tuin van Gods schepping die je deelt met de buurt, enzovoort.
Het is niet alleen mooi dat meer mensen God weten te vinden — het is ook mooi om door hun stem God beter te leren verstaan.
Cors Visser (CGK) is socioloog en directeur van ForumC (www.forumc.nl). De volledige scriptie ‘Heil en redding volgens toetreders en een ordinary soteriology’ is hier te lezen: https://kerkpunt.nl/download/30366/?tmstv=1765181274

