Marten, relatiebeheerder bij Kerk in Actie, promoveerde in februari op een dissertatie over de betrokkenheid van transnationale Pinksterkerken in het Spaanse publieke domein.
1. Even voorstellen: wie ben je en wat heb je met zending?
Ik ben Marten van den Toren-Liefting, getrouwd met Tirtsa en we hebben samen een dochter van een jaar die Maria heet.
Ik heb een lange geschiedenis met zending. Ik bent opgegroeid als kind van zendelingen in de Centraal Afrikaanse Republiek, waar ik tot mijn elfde woonde. Daarna verhuisde ik naar Oxford waar mijn moeder werkte voor Church Mission Society en mijn vader doceerde aan de universiteit van Oxford. Ook hier was zending niet ver weg. Vaak hadden wij zendelingen of mensen die elders voor de kerk werkten over de vloer. Toen ik achttien was wilde ik ontdekken of zending misschien iets voor mij was. Daarom ging ik zelf op pad tijdens een tussenjaar met Church Mission Society in Argentinië en Chili. Na dit tussenjaar was ik nog niet helemaal klaar met de Spaanstalige wereld en besloot ik een jaar te studeren op een bijbelschool in Barcelona. Hier was ik ook betrokken bij een kleine kerkplanting van de Anglicaanse kerk. Zending werd voor mij toen iets wat ook binnen de grenzen van Europa kon gebeuren.
Na al deze jaren in het buitenland werd het hoog tijd om terug naar Nederland te gaan en hier wortels te laten groeien. Ik ging in Utrecht culturele antropologie studeren. Ik was hier niet meer betrokken bij zending, maar mijn geschiedenis met zending had mij wel een fascinatie in het christendom wereldwijd in andere contexten gegeven. Deze fascinatie kleurde mijn studie. Voor mijn bachelor scriptie deed ik onderzoek naar de interactie tussen een christelijke en nationale identiteit bij Maleisische universiteitsstudenten. Voor mijn master deed ik onderzoek naar de betrokkenheid van rurale Pinksterkerken bij vredesprocessen in Colombia. Uiteindelijk ben ik begonnen aan een promotietraject aan de Protestantse Theologische Universiteit over de betrokkenheid van transnationale Pinksterkerken in het Spaanse publieke domein. 24 februari ben ik gepromoveerd op een dissertatie met de titel “Pray for the City: Researching Pentecostalism, Migration and the Public Sphere.”
Nu werk ik als relatiebeheerder bij Kerk in Actie. Ik mag een schakel zijn tussen de kerk in Nederland en kerken en organisaties die missionair en diaconaal actief zijn Zuid-Azië.
Mijn geschiedenis met zending heeft mij ontzettend veel gegeven. Deze geschiedenis heeft mijn passies en interesses gevormd. Tijdens mijn studie in Utrecht en op de Protestantse Theologische Universiteit mocht ik nadenken en schrijven over de kerk wereldwijd en in andere contexten en nu mag ik aan het werk samen met de kerk wereldwijd.
2. Waar liggen voor jou programmatisch de uitdagingen voor jouw werk/jouw organisatie in de komende tijd?
In mijn werk bij Kerk in Actie hebben de uitdagingen te maken met verschillende prioriteiten die gebalanceerd moeten worden en soms ook op gespannen voet staan.
Ten eerste werkt Kerk in Actie grotendeel programmatisch met projectcyclussen. Met deze werkvorm, waarbinnen steeds meer gezocht wordt naar wederkerigheid, proberen wij transparant te zijn in onze processen en wederzijds verantwoordelijkheid te zoeken tussen onze partners en Kerk in Actie. Deze werkvorm is belangrijk maar kent ook haar limieten. Het kan een vrij rigide vorm van werken zijn waarbij de nadruk vooral kan komen te liggen op projectcyclussen en (financiële) processen. Daartegenover wil Kerk in Actie ook relationeel aan het werk met haar partners. Zo wil ik samen op pad met mensen, kerken en organisaties, zoeken naar tekenen van Gods Koninkrijk en daarbij aanhaken. Dit is een langzaam en soms slordig proces van luisteren, flexibel zijn en je laten leiden door stemmen en inzichten uit Zuid-Azië. Beide deze prioriteiten en bijbehorende werkvormen zijn belangrijk, beide hebben een rol te spelen en toch staan ze soms op gespannen voet met elkaar. Na een jaar bij Kerk in Actie ben ik nog vaak aan het zoeken hoe ik hier een juiste balans in kan vinden.
Ten tweede worden wij bij Kerk in Actie geconfronteerd met veel nood op veel plekken. De landen waar ik werkzaam mag zijn worden geteisterd door klimaatverandering, politieke onrust, interreligieuze spanningen en nog veel meer. Het wegvallen van veel internationale ontwikkelingssamenwerkingsfinanciering en de dalende steun van kerkelijke en zendingsorganisaties betekent dat onze partners vaak zelf ook kwetsbaar zijn. Er moet zo veel gebeuren en de crisissen worden alleen maar meer. De directe nood kan al onze aandacht vragen. Tegelijkertijd moeten wij niet vergeten ruimte te maken voor de lange en soms moeilijke vragen van ons werk. De waan van de dag moet niet onze aandacht wegnemen van moeilijke vragen rondom ons koloniaal verleden en hoe het tot op de dag van vandaag ons werk beïnvloed, over hoe wederkerige relaties eruitzien in de wereldwijde kerk, of over hoe Kerk in Actie kerken kan ondersteunen in hun werk tegen klimaatverandering.
Ik moet leren deze concurrerende prioriteiten te balanceren en het is soms een spel van heen en weer schommelen tussen meerdere prioriteiten en bijbehorende werkvormen. Dit maakt het werk ontzettend dynamisch en spannend.
3. Hoe zie jij de verhouding tussen zending binnen Nederland en zending vanuit Nederland en zending van overal naar overal?
Ik moet eerlijk zeggen dat ik het woord “zending” steeds ingewikkelder vind. Ik gebruik het niet graag. Het heeft iets van eenrichtingsverkeer, van het gaan en iets – het evangelie en vaak veel meer – brengen. Historisch gezien was dit ook vaak hoe zending vorm kreeg en hoe het in sommige plekken nog steeds vormgegeven wordt. Maar ik denk dat zending inmiddels ook iets anders is geworden.
Zending is voor mij een beweging van kerken die betrokken zijn en zichzelf oriënteren op dat wat buiten haar eigen grenzen gebeurt. Ik heb het hier over een breed begrip van “grenzen.” Dit kunnen fysieke, geografische, culturele, en sociale grenzen zijn. In deze beweging van de kerk, door middel van deze extra-polaire oriëntatie, ondergaat de kerk een verdieping in haar eigen geloof. Door middel van zending is het vaak de “zendende” kerk die haar geloof opnieuw mag ontdekken en verdiepen. Dit is persoonlijk voor mij ook het geval geweest. Dit is wat mij betreft ook de primaire houding die de kerk in Nederland zou moeten hebben wanneer zij betrokken is in zending. Tegelijkertijd, als zending alleen iets wordt voor onze eigen verdieping, bestaat het risico dat het weer iets “extractionistisch” wordt. Vanuit deze lerende en nieuwsgierige houding mag de kerk in Nederland ook ontdekken dat zij een steentje bij te dragen heeft en hoe zij dienstbaar kan zijn buiten haar eigen grenzen.
“Mijn geschiedenis met zending en mijn promotieonderzoek hebben het zeer duidelijk gemaakt dat zending juist iets is geworden van wederzijdse betrokkenheid, van een wederzijdse verdieping in het geloof.”
Tijdens mijn promotieonderzoek bij Pinksterkerken in Spanje werd dit ontzettend duidelijk. Historisch gezien werd Latijns-Amerika vaak gezien als een “zendingsveld.” Sinds de jaren ‘90 migreren veel mensen vanuit Latijns-Amerika naar Spanje en een significante groep sluit zich aan bij Pinkster- en evangelische kerken. Uit mijn promotieonderzoek werd het evident dat deze vaak kwetsbate migranten ontzettend veel bijdroegen aan de Spaanse kerk, maar ook de bredere Spaanse maatschappij. Ik ben ervan overtuigd dat de kerk in Latijns-Amerika en haar theologieën ontzettend verrijkend zijn voor de kerk in Spanje en Europa. Dit is onder andere zichtbaar bij hoe vaak hier gesproken wordt of misión integral, oftewel integral mission. Het christendom kwam in Latijns-Amerika aan samen met het zwaard en nu keert er een expressie van het christendom terug naar Europa die voor ons tot zegen is. Natuurlijk moet ik er ook bij zeggen dat ik niet alle theologieën uit het continent positief vindt voor de kerk in Spanje of in Nederland, welke theologieën laat ik maar even in het midden. Wat zou het een gemis zijn als er niet deze wederzijdse verbondenheid is tussen de kerk in Latijns-Amerika en de kerk in Spanje, of Europa. Wat was het een gemis geweest als deze migranten niet naar Spanje waren gekomen en onderdeel waren geworden van de kerk in Europa.
Samenvattend, zending begon vaak als iets van hier naar daar. Eén kant op. Jammer genoeg is dit nog vaak het geval. Mijn geschiedenis met zending en mijn promotieonderzoek hebben het zeer duidelijk gemaakt dat zending juist iets is geworden van wederzijdse betrokkenheid, van een wederzijdse verdieping in het geloof.
4. Waarvan gaan jouw ogen van glimmen?
Waar mijn ogen van gaan glimmen is sterk verbonden met wat ik zojuist beschreef. Zending is inmiddels een ingewikkeld woord omdat het vaak (terecht) verbonden wordt aan een koloniaal verleden, het opleggen van Eurocentrische theologieën en praktijken en nog veel meer. Toch is zending meer dan de duistere hoofdstukken van de Europese koloniale geschiedenis. Zoals ik al eerder schreef heeft zending ook geleid tot een wederzijdse betrokkenheid tussen kerken wereldwijd. Dan vraag ik mij wel af of het woord “zending” nog een woord is dat de lading en breedte goed vat van huidige “zendingspraktijken”. Ik ben bijvoorbeeld gepromoveerd in de discipline van World Christianity. Dit is een poging van de academische theologie om zich te verhouden tot een complexe zendingsgeschiedenis en de werkelijkheid van een wederzijds verbonden wereldwijde kerk. Desondanks definiëren enkele missiologen zending, oftewel missiologie, zo in het artikel “Will Missiology have a Future of its Past?“:
Missiology must be a dis-locating discourse, ever moving the Christian community beyond itself. The beyond is a destabilizing reckoning with the reign of the Triune God and the world. But the community remains unprepared, disengaged from God’s reign and the world until it is persuaded by the call to mission to put its own safety last. (…) Mission disrupts the world-that-is to invite its liberation and renewal: “in Christ there is a new creation” (2 Cor 5:17). The “new” that breaks into individual lives and the world’s history exists, as prophets know, in uncomfortable tension with the “old.” (Kenney IV, Maddock, Leweis, Flett and Leffel 2024: 21)
Volgens deze missiologen gaat zending niet over gaan en doen, maar over een ontmoeting met God en zijn werk in de wereld door zijn kerk, een ontmoeting die destabiliseert, bevrijdt, vernieuwt. Als zending zo beschreven wordt, dan gaan mijn ogen glimmen en tegelijkertijd blijft de vraag of “zending” wel het juiste woord is.
Als ik kijk naar mijn werk bij Kerk in Actie is zo’n begrip van zending wat ik hoop na te streven. Ik streef niet om zelf iets te brengen of bij te dragen, maar om aan te haken bij het al gaande bevrijdende en vernieuwende werk van God in Zuid-Azië. Hier geeft de kerk al handen en voeten aan haar geloof, hier is God al aan het werk, door bijvoorbeeld jongeren van verschillende religies samen te laten bouwen aan een gedeelde toekomst, of door contextueel theologisch onderwijs toegankelijk te maken. Zo heb ik het voorecht om steeds weer nieuwe facetten van God Koninkrijk te ontdekken. De uitdaging is nog wel hoe deze betrokkenheid elders de kerk in Nederland kan opschudden, vernieuwen, en misschien zelfs bevrijden. Hier is nog veel werk aan de winkel.
5. Hoe kunnen we elkaar als kerken en zendingsorganisaties versterken in de missionaire opdracht?
De missionaire opdracht van de kerk is in Nederland ver van vanzelfsprekend, zeker als het gaat over missionaire betrokkenheid buiten Nederland. Er moet ruimte zijn om lerend en reflectief aan het werk te gaan. Er is ruimte nodig om onze betrokkenheid bij een koloniaal verleden, die tot op heden doorwerkingen heeft, onder ogen te zien. Afgelopen week las ik een artikel in Trouw over de betrokkenheid van aalmoezeniers bij de politionele acties in Indonesië. Laten wij dit tot ons doordringen? Hebben wij hier een antwoord op? Dit zijn vragen die vaak te groot zijn voor een organisatie als Kerk in Actie. Zendingsorganisaties, en wat mij betreft ook kerken en theologische opleidingen moeten samen optrekken om elkaar te bevragen en om samen te leren. In dit samen optrekken moeten de stemmen van de gemeenschappen bij wie wij betrokken zijn een centrale rol spelen. De stemmen van de kerken met wie wij optrekken moeten leidend zijn in onze gedeelde zoektocht. Door samen lerend en reflectief aan het werk te gaan ontdekken wij hopelijk een nieuwe taal en nieuwe praktijken die onze geschiedenis erkennen maar ook niet gebonden zijn aan deze geschiedenis. Ik ben ervan bewust dat het stellen van de grote en moeilijke vragen van ons werk soms verlammend kan zijn. Toch zijn er zoveel hoopvolle voorbeelden van hoe de kerk in Nederland en zendingsorganisaties positief betrokken zijn bij de kerk en organisaties elders. Laten wij vooral elkaar deze verhalen vertellen en ons erdoor laten inspireren.