Church Planting Movements: controversieel of reden voor dank?

Gedurende het grootste deel van de afgelopen 2000 jaar heeft het evangelie weinig vooruitgang geboekt onder volkeren die andere grote religies belijden, zoals de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme. Zelfs de grote zendingsinspanningen van de 18e en 19e eeuw bereikten voornamelijk tribale volken, waardoor aanhangers van de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme vrijwel volledig onaangeraakt bleven door het evangelie. Des te opmerkelijker dat er in de laatste decennia sprake is van een beweging van kerkgroei die worden aangeduid als Church Planting Movements (CPM’s). Lausanne publiceerde een nieuw inleidend artikel geschreven door Dave Coles, die zelf aanjager is van CPM’s: Church Planting Movements—Why Is the World’s Most Proven Church Planting Method Still Controversial? De ondertitel luidt: Evangelie-bewegingen verspreiden zich snel onder de minst bereikte bevolkingsgroepen, maar worden nog steeds geconfronteerd met kritiek en scepsis.

CPM’s blijken beter te kunnen overleven en floreren in de overwegend niet-christelijke omgeving van onbereikte groepen, schrijft Coles: Ze zijn gedocumenteerd in Zuid-Azië, Zuidoost-Azië, West-Afrika, en Oost-Afrika. Er zijn meer dan 2000 van dergelijke bewegingen gemeld in verschillende delen van de wereld, met in totaal meer dan 100 miljoen discipelen. Een CPM wordt gedefinieerd als minstens vier generaties van inheemse kerken die nieuwe kerken stichten in meerdere ‘stromen’, waarbij elke stroom kerken reproduceert. In onze wereld van vandaag spelen CPM’s een vitale rol, als een van de weinige vormen van bediening waarbij de groei van het koninkrijk regelmatig de bevolkingsgroei overtreft, terwijl ze tegelijkertijd samenlevingen van binnenuit transformeren. De overgrote meerderheid van de bewegingen tot Christus in de afgelopen decennia vindt plaats binnen religieuze groepen die voorheen gesloten waren voor het goede nieuws van Christus.

Kritiek

In het artikel gaat Coles in op de kritiek die wordt geuit op het verschijnsel van CPM’s. Zo worden vragen gesteld bij de authenticiteit van de geclaimde bekeringen en bij de genoemde aantallen. Andere zorgen betreffen vaak vragen over de leerstellige en ecclesiologische degelijkheid van de leer en de kerken binnen bewegingen, bijvoorbeeld de definitie van ‘kerk’. Volgens Coles zijn deze kritiek echter voldoende weerlegd door onderzoeken die zijn gedaan.
In 2021 bevestigde het wereldwijde compendium Motus Dei: The Movement of God to Disciple the Nations het bestaan ​​van bewegingen in vele delen van de wereld. Een nieuw boek van David Garrison, getiteld Inside Church Planting Movements (WIGTake Resources, 2025), onderzoekt achtentwintig bewegingen die zijn beoordeeld door de Baptist International Mission Board en documenteert bewegingen van Azië tot Afrika, van het Midden-Oosten tot de Amerika’s.

Coles eindigt zijn artikel dan ook met een oproep tot dankbaarheid en nederigheid: “We kunnen de creatieve ideeën van CPM’s over het volgen van Jezus toejuichen: veelvuldig bidden en vasten, contextgevoelige en overvloedige evangelisatie, het bereiken van groepen in plaats van alleen individuen, en het toerusten van discipelen om actief discipelen te maken. De vraag is niet langer of CPM’s werken, maar of we de nederigheid hebben om ervan te leren. In de zending blaast de Geest van God nieuw leven.”

Tot slot een verheldering van begrippen: Een veelgebruikt proces om een ​​CPM op gang te brengen, is een discipelschapsbeweging (DMM), gebaseerd op Jezus’ opdracht in Matteüs 28:19 om discipelen te maken van alle volken (ethnē). Vanwege de overlap in hun op huisgemeenten gerichte aanpak, worden de termen CPM en DMM soms door elkaar gebruikt. Deze bewegingen moeten niet worden verward met Insider Movements (IM), waarbij volgelingen van Christus langdurig binnen de sociaal-religieuze identiteit van hun geboortegemeenschap blijven, zoals de islam, het hindoeïsme of het boeddhisme.