‘De wereld veranderen’: Culturele bedding voor evangelische beweging in Nederland

Al vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn er tekenen zichtbaar van een opkomende evangelische beweging. We hoeven alleen maar te kijken naar Billy Graham, Corry ten Boom, Tommy Lee Osborn en vele anderen die de weg banen voor de groei die vanaf midden jaren zestig echt op gang komt. De groei van een beweging, evangelisch of niet, wordt altijd gefaciliteerd door de cultuur en de veranderingen in de cultuur waarin de beweging opkomt. 

Na de oorlog wordt door de Nederlandse overheid werk gemaakt van het herscheppen van een staatsinrichting op basis van de verschillende zuilen: liberaal, socialistisch, protestants en katholiek. Al vrij snel herwinnen de zuilen hun vooroorlogse sterkte en zijn ze, ondanks het verlangen naar eenheid en groei, zelfs nadrukkelijker aanwezig dan voorheen. De eenheid en groei worden door de bevolking echter goed opgepakt en sneller dan verwacht herstelt Nederland zich van de ellende van de oorlog. 

Hoewel het economisch beter gaat met Nederland, maakt de elite zich zorgen over de morele staat van Nederland en vooral van de jongeren. Voorbeelden die daarbij genoemd worden zijn vooral de losse seksuele moraal, het weigeren om te werken, een opkomende ‘dansgekte’, frequent bioscoopbezoek en overmatig tabaks- en alcoholgebruik. Vanuit de verschillende zuilen begint er een informeel zedelijkheidsoffensief waarin de Rooms-Katholieke Kerk het meest actief is. De focus van dit zedelijkheidsoffensief richt zich op het gezin. Het gezin moet weer zijn oude kracht hervinden en de jeugd moet meer discipline bijgebracht worden. 

‘Jongvolwassenen en kinderen misten een gevoel van verbondenheid’

De zedeloosheid wordt ook door Peter Vlug sr. en Hans Keijzer, voormannen van de Opwekkingsconferenties, sterk benadrukt. Sprekend over deze periode (in een interview met A.S. op 9 mei 2014) gaat het over gebrek aan goed onderwijs voor de jeugd, maar vooral over het gebrek aan een goede opvoeding thuis. ‘De jongelui van die tijd waren losgeslagen en moesten weer in het gareel gebracht worden. Jongvolwassenen en kinderen misten een gevoel van verbondenheid, veiligheid, liefde en hadden geen morele grenzen’, aldus Vlug. 

Dit soort uitspraken en de reacties van de verschillende zuilen moeten wel in perspectief geplaatst worden. De jeugd geniet van de nieuw hervonden vrijheid, maar wordt daarin beteugeld door de regerende elite, die lang voor de oorlog geboren is en niet weet hoe ze met deze nieuwe situatie om moet gaan. De oude status quo bestaat niet meer, maar men tracht deze met de moed der wanhoop te herstellen. 

Dit is de tijd dat Youth for Christ (YfC) als eerste Amerikaanse evangelische organisatie naar Nederland komt, met name opgericht om de jeugd een alternatief te bieden voor de ‘immorele’ kroegen, bioscopen en ander ‘werelds entertainment’. Ze komen op het juiste moment naar een land dat tracht de weg vooruit weer te vinden. YfC biedt nieuwe hoop na de verwoestingen van de oorlog. De toenmalige directeur van YfC Amerika verklaart zijn missie in Nederland als volgt: ‘De kerk is verlamd door formeel fundamentalisme en dode orthodoxie. De natie is herstellende van de wonden van een bloedige oorlog en jonge mensen zijn hongerig naar God en het evangelie. Dit zijn de morele slachtoffers van de oorlog die zoeken naar de waarheid’ (Krabbendam 2009, p.1030). Soldaten die vochten om Europa uit de handen van de Duitsers te bevrijden willen terug naar Europa om daar het evangelie te brengen.

Onder redactie van Laura Dijkhuizen en Henk Bakker verschijnt dit voorjaar het boek Typisch evangelisch. Een stroming in perspectief. Ongeveer vijftig auteurs schreven mee aan deze verhalende bundel over het ontstaan en de ontwikkeling van de evangelische beweging in Nederland na de oorlog.

Het boek is verdeeld in een verhalend geschiedenisdeel en een thematisch opgezet studiedeel, geschikt voor theologische (hoge)scholen. In het thematische deel worden onderwerpen als ethiek, leiderschap, vrouwen en zending besproken in relatie tot de evangelische beweging. 

Daarnaast wordt het geheel opgeluisterd met portretten van bekende en soms minder bekende evangelische christenen die een belangrijke rol speelden in de groei van de beweging. Ook is er veel ruimte gewijd aan kunst en muziek die deze beweging indertijd apart zette van de andere geloofsstromingen. 

Het hier afgedrukte artikel van Arjan Schoemaker over ‘de opkomst van de evangelische beweging binnen de Nederlandse cultuur van de jaren veertig tot en met zestig’ is een van de bijdragen in de nieuwe bundel Typisch evangelisch. Het is een korte bewerking van zijn masterthesis ‘De Dutch Evangelical Movement – The social and cultural influences on its growth’ voor de opleiding Religiewetenschappen aan de Universiteit van Leiden, januari 2015.

De burgerlijke jaren vijftig

In de jaren vijftig lijken de oude structuren in ere hersteld te worden. Zo zijn de zuilen sterker dan voor de oorlog en is ‘geluk nog heel gewoon’. Het familieleven is de norm, maar onder de oppervlakte broeit er van alles. De jeugd is niet tevreden met deze levensvorm, zij wil gehoord worden en is op zoek naar nieuwe uitdagingen. Deze onrust komt pas tot volle wasdom in de jaren zestig en zeventig. 

Van belang voor het begrijpen van de opkomst van de evangelische beweging is de relatie die Nederland ontwikkelt met Amerika. Nederland is door de Amerikanen niet alleen bevrijd van de nazi’s, maar zij beschermen ook tegen het nieuwe gevaar dat in het Oosten dreigt, namelijk het communisme uit de Sovjet-Unie. Het heersende sentiment is overwegend pro-Amerikaans. De jeugd is gek op Amerika, op sigaretten, kauwgom, chocola, Amerikaanse muziek en natuurlijk kleding. Jongeren kijken naar Amerika als het land van de dromen en willen de Amerikaanse levensstijl graag kopiëren. Amerika is het grote voorbeeld, waar alles beter is, niet alleen economisch en cultureel, maar ook ideologisch. 

Pro-Amerikaans sentiment voedingsbodem voor evangelische ontvankelijkheid

Dit pro-Amerikaanse sentiment heeft een grote rol gespeeld bij het verwelkomen van de evangelische predikanten die Nederland in de jaren vijftig aandeden. Zonder dit sentiment hadden de predikers waarschijnlijk veel minder gehoor gevonden. 

De bekendste predikers in de jaren vijftig zijn Billy Graham, die zowel in Amsterdam als in Rotterdam verschillende bijeenkomsten houdt, en Tommy Lee Osborn, die door zijn genezingscampagnes voor veel opschudding zorgt in Nederland. Beide predikers hebben flink wat bekende Nederlandse evangelische leiders onder hun gehoor en inspireren hen om in Nederland aan het werk te gaan. Hoogleraar geschiedenis James Kennedy noemt de jaren vijftig de hoogtijdagen van de Amerikanisering, zowel op seculier gebied, met de komst van de Amerikaanse rockmuziek, als op religieus gebied, door de komst van het evangelisch christendom. Beide dagen de bestaande sociale orde uit.

Verzuiling

In de jaren vijftig kent de maatschappij een strikte indeling in protestanten, katholieken, liberalen en socialisten, waarbij binnen de protestantse zuil ook nog allerlei subzuilen worden onderscheiden. In principe functioneert iedereen netjes binnen zijn eigen zuil en de elite van de verschillende zuilen zoekt elkaar op en zorgt ervoor dat alles in het gareel blijft. Er bestaat een soort ‘gentlemen’s agreement’ om mensen niet van de ene kerk naar de andere kerk over te halen. 

Maar de nieuwe, voornamelijk Amerikaans georiënteerde kerken en bewegingen die Nederland nadrukkelijk als zendingsland zien, verstoren de status quo. Deze bewegingen leggen een sterke nadruk op de persoonlijke keuze van de mens om lid te worden van een kerk, terwijl dat in de verzuiling op basis van geboorte gebeurt. In deze tijd ontstaat ook de term ‘vrijwilligheidskerken’, waarmee de evangelische beweging bedoeld wordt. Het rekruteringsveld van de evangelische beweging ligt voornamelijk binnen de orthodox-protestantse kerken. De vrijwilligheidskerken dragen dus bij tot de destabilisering van de protestantse zuil. Hoewel dit niet door onderzoek hard te maken is, hebben naar mijn mening de vrijwilligheidskerken bijgedragen aan de ontzuiling in de jaren zestig.

De roerige jaren zestig

Er vinden verschillende belangrijke ontwikkelingen plaats in de jaren zestig. De welvaart stijgt enorm, er wordt nota bene in drie jaar tijd bijna dertig procent meer verdiend, waardoor er minder gewerkt hoeft te worden. De zaterdag wordt om die reden als standaard werkdag afgeschaft. Daardoor krijgen mensen meer vrije tijd en ontstaat er een weekendcultuur waarin men gaat recreëren en ‘leuke dingen’ doen. Dit heeft directe gevolgen voor het kerkbezoek op zondag. Kerkbezoekers gaan in het weekend regelmatig weg en gaan minder frequent naar de kerk. 

De groeiende welvaart, de doorgaande industrialisatie en urbanisatie zorgen ervoor dat de sociale verbanden die vlak na de oorlog en ook in de jaren vijftig nog sterk waren, losser worden. Bijgevolg verslappen ook de religieuze banden, met opkomende kerkverlating tot gevolg. Een flink deel van de leden stroomt ter linkerzijde de kerk uit en sluit zich aan bij socialistische bewegingen. Een kleinere groep vertrekt naar rechts, naar de vrijwilligheidskerken. 

Dat mensen rechts en links de kerk uit trekken maakt deel uit van dezelfde beweging. Men wil werken aan positieve veranderingen. Men wil zelf beslissingen nemen en het gevoel hebben waardevol te zijn voor de mensen om zich heen. Het grootste deel zoekt in links activisme de kans de wereld een stukje beter te maken. Er komt een sterk geloof in een maakbare samenleving op. 

Linksom en rechtsom gaat het om ‘de wereld veranderen’

De rechtervleugel zoekt het in een evangelisch vertrouwen dat Jezus het enige antwoord is op de noden in de maatschappij. Redding, de oplossing, kan alleen van Hem komen en er is een rotsvaste overtuiging dat Hij zich met ieder individueel leven persoonlijk bemoeit. Ook hier gaat het ten diepste om een maakbare samenleving, want de evangelischen zijn op hun manier activistisch en geloven dat de hele wereld het evangelie moet horen voordat Jezus terug kan komen. Vanuit dit activisme trekken velen de wijde wereld in om anderen tot geloof te brengen en de wereld uiteindelijk beter te maken. 

Links activisme en rechts evangelicalisme gaan in de jaren zestig nog niet samen. Slechts een enkeling houdt zich bezig met bijvoorbeeld het afschaffen van kernwapens. Otto de Bruijne vertelt (interview met A.S., 26 juni 2014): ‘Ik liep mee met een anti-kernwapenbetoging terwijl prominente evangelische leiders tegen deze betoging aan het bidden waren. Activistisch evangelisch bestond in die tijd niet of nauwelijks.’ De tendens was dat je bezig moet zijn met de dingen die van de hemel zijn, het ‘zielenheil’ van de mens, en niet met aardse zaken als politiek, kernwapens, milieuvraagstukken.

Televisie en jeugdcultuur 

Naast bovengenoemde ontwikkelingen vragen de opkomst van de televisie en de ontwikkeling van de jeugdcultuur in Nederland de aandacht. Met de komst van de televisie in Nederlandse huishoudens gaat er een wereld open, een wereld waarvan men via de radio wel had gehoord, maar waar men nog geen beelden bij had. 

Alhoewel elk van de omroepen een bepaalde zuil van de Nederlandse maatschappij bedient, kan er met enige voorzichtigheid gezegd worden dat de televisie heeft bijgedragen aan de ontzuiling in Nederland. Een ding is zeker: de stroom van nieuwe informatie die Nederlanders tot zich nemen verandert hun denken en vergroot hun wereld sterk. Er is een wijde wereld die ontdekt en beleefd kan worden. 

Evangelische missionaire organisaties spelen handig in op de wens de wijde wereld te ontdekken. Zij roepen op tot het participeren in ‘het grote gebod’ van Jezus om alle mensen tot zijn discipelen te maken. Organisaties als Operatie Mobilisatie en Jeugd met een Opdracht, exponenten van de opkomende jeugdcultuur, rekruteren jonge babyboomers die veelal een drang hebben om de wereld te veranderen. Net als hun niet-kerkelijke generatiegenoten vanuit een socialistisch of liberale visie, willen deze jongeren de wereld veranderen door mensen op te zoeken en hen te wijzen op het verlossende werk van Jezus.

Individualisering

De toenemende welvaart, vrije tijd en democratisering op elk gebied gaan hand in hand met een doorgaande individualisering van de maatschappij. De individualisering zorgt op religieus gebied voor een toenemende behoefte om met het gedachtegoed uit het Verre Oosten te experimenteren. Popgroepen zoals The Beatles brengen denkbeelden vanuit het hindoeïsme en boeddhisme naar het Westen. Door deze ontwikkelingen wordt binnen diverse religieuze groeperingen in Nederland de waarheid gaandeweg als subjectiever en individueler gezien. Ook binnen de evangelische beweging treedt subjectivering op. Het gaat om jou en je hoogst individuele en persoonlijke weg met God. Door je eigen ervaring met God creëer je als individuele gelovige je eigen verhaal en je persoonlijke avontuur met Jezus. En de Bijbel is steeds de gids naar de volgende stap. Weg van de dogma’s, op zoek naar een persoonlijk beleven waarbij zang, dans, het opsteken van handen en het ontvangen van genezing een rol spelen. Maar hierbij ontstaan, zoals in elke religieuze beweging, als vanzelf nieuwe geschreven of ongeschreven gewoontes en dogma’s. 

De evangelische beweging in Nederland had niet kunnen uitgroeien tot wat zij is zonder de continu mee-veranderende cultuur. De toenemende welvaart, de groei van vrije tijd en de hoeveelheid informatiestromen, de liefde voor Amerika in de jaren veertig en vijftig en de opkomende individualisering hebben ervoor gezorgd dat de beweging in de marge van de leegloop uit de kerken heeft kunnen groeien en bloeien, en niet alleen binnen het segment van de vrijwilligheidskerken. Uiteindelijk is het evangelisch gedachtegoed evenzeer tot een groot deel van de traditionele protestantse kerken doorgedrongen.

— Arjan Schoemaker is docent Levensbeschouwing aan het Tabor College Hoorn en docent Minor Peace & Justice aan de Christelijke Hogeschool Ede. Hij was eerder staflid bij MissieNederland en maakte deel uit van de redactie van TussenRuimte.