Wij moeten kerk zijn

Als de vraag op tafel komt: Hebben de migrantenkerken invloed gehad op de inheemse kerken in Nederland, als het gaat om nieuwe vormen van kerk-zijn? kijkt June Beckx zuinig. Klaas van der Kamp is positiever: ‘Ik denk het wel. Je ziet mensen met een andere achtergrond in de kerk. De wereld wordt, hoe je het ook wendt of keert, in je huis gebracht. Dat maakt je nieuwsgierig.’

Op een grijze decembermiddag praten June Beckx, coördinator van de vereniging van migrantenkerken Samen Kerk in Nederland (SKIN) en Klaas van der Kamp, algemeen secretaris van de Nederlandse Raad van Kerken (RvK) over nieuwe vormen van kerk-zijn bij hun respectievelijke achterban. 

Beckx en Van der Kamp kennen vanuit hun functie veel verschillende kerken en bewegingen. Welke nieuwe vormen van kerk-zijn signaleren zij? Is er bij de aangesloten leden iets van een wederzijdse invloed te bespeuren? Sterker nog: hebben migrantenkerken nieuwe vormen van kerk-zijn waarvan de gevestigde kerken in Nederland kunnen leren?  

Kerkelijke kaart

Beckx: Je zou kunnen zeggen dat de leden van SKIN in twee groepen uiteenvallen: de kerken die al langer hier in Nederland zijn en die op de calvinistische mainstream-kerken lijken, en de new movements met een pentecostale inslag.

Van der Kamp: De Raad van Kerken kent drie richtingen: de rooms-katholieke, de orthodoxe en de protestantse. Als eventuele vierde richting kun je de vrijzinnigheid noemen. Binnen die kerken zijn er verschillende antwoorden op de komst van migranten. De Rooms-Katholieke Kerk vraagt de migranten om zich aan te sluiten bij bestaande parochies. De parochies besteden veel aandacht aan integratie en interculturaliteit. Sommige orthodoxe kerken hebben zelf een migrantenachtergrond en besteden naast hun religieuze identiteit aandacht aan culturele aspecten binnen hun eigen kerkelijke organisatie. Voor vrijzinnigen is de samenhang van cultuur en religie van belang. Zij zullen zich bijvoorbeeld sterk maken voor verdraagzaamheid naar minderheden, zoals die past bij onze democratische samenleving. 

Wortelen

Het begrip ‘nieuwe vormen van kerk-zijn’ is multi-interpretabel. Nieuwe vormen in de liturgie, in de kerkorde, in de wijze waarop een ledenregistratie wordt gevoerd, bij ethische vragen of bij een onderwerp als healing of gebedsgenezing? 

We steken in bij het fenomeen ‘kerkplanting’.

Beckx: Er ontstaan nieuwe gemeentes en bewegingen in Nederland. Bij de migrantenkerken heeft kerkplanting vaak te maken met het wortelen in het onbekende Nederland. Landgenoten in den vreemde zoeken steun bij elkaar en vormen sociale en spirituele netwerken. Eén persoon of één familie neemt de leiding en een nieuwe kerk is geboren. Daarbij houdt men vast aan gewoonten en rituelen uit het moederland, omdat het nieuwe leven al genoeg onbekends biedt. Bovendien wil je graag je waarden en je geloofstraditie doorgeven aan de volgende generatie. 

Van der Kamp: De Nederlandse calvinistische kerken kennen verschillende vormen van kerkplanting. Een veelvoorkomende vorm is de start van een nieuwe kerk in een nieuwbouwwijk. Denk aan de Vinex-wijken of aan de kerken die in Flevoland zijn ontstaan. Vaak wordt er eerst een analyse gemaakt van de omgeving waarin de kerk zal functioneren. De context wordt  meegenomen. Er wordt nagedacht over de vorm en het gebruik van het gebouw, over de inrichting, over de plaats van de verkondiging in het geheel, over het genre liturgie. Dat kan allemaal anders en nieuw worden, in vergelijking met de bestaande vormen. 

Beckx: Wat het onbekende is in Nederland, is voor iedere geloofsgemeenschap weer anders. Voor de ene migrantenkerk in Nederland kan het principe van godsdienstvrijheid een compleet nieuwe ervaring zijn, voor een andere is dat het erfgoed van de Verlichting en het liberale christendom. Zo zal de ene, die gewend is om in het moederland een kleine bedreigde minderheid te zijn, zich als nieuwe kerk bescheiden en voorzichtig opstellen. Dat vereist gewenning, een langzaam groeiend vertrouwen. Een ander voelt zich daarentegen juist geroepen om te evangeliseren. Voor de voorganger van een Perzische migrantenkerk bijvoorbeeld is het onbegrijpelijk dat wij zo denominatiegericht zijn. In Iran mogen er geen kerken zijn. Dus de Iraniërs die hier zijn gekomen, zeggen: ‘Wees blij dat je hier gewoon bij elkaar mag komen. We zijn toch allemaal christenen, we zijn gewoon een kerk, en waarom al die verschillen en zo moeilijk doen.’ 

Binding

Van der Kamp: Uit een onderzoek van Martijn Vellekoop* bleek dat er vanaf 1990 zeker 300 nieuwe gemeenten zijn gesticht, de migrantenkerken niet meegerekend, veelal van evangelische signatuur. Kerkplanting komt dus binnen Nederland veel vaker voor dan wij misschien denken. Deze nieuwe evangelische gekleurde gemeenten deden volgens Vellekoop weinig onderzoek naar de noden en wensen uit hun omgeving. Anderen zouden er wellicht voor kiezen om te analyseren hoe je kunt aansluiten bij de plaatselijke situatie om op die manier een theologie en een kerkvorm te vinden die een appèl doet op de lokale kaart.

Beckx: Zij hebben dus dezelfde drive als de migrantenkerken: het gevoel ‘wij moeten een kerk zijn’, zonder eerst naar de behoefte te kijken. Migrantenkerken die hier in Nederland beginnen, houden zich eerst bezig met het eigen overleven, en kijken daarna pas naar de omgeving buiten de deur. Deze kerken hebben overigens duidelijke opvattingen over nieuwe leden en over bekeringen. Waar sommige Nederlandse calvinistische kerken ‘bekering’ tegenwoordig een vies woord vinden, hebben de migrantenkerken er over het algemeen geen enkele moeite mee om duidelijk te stellen dat ze mensen willen bekeren. Bijvoorbeeld: met moslims praat je niet op basis van een gelijkwaardige dialoog, maar omdat je ze wilt bekeren. 

Van der Kamp: In dun bevolkte gebieden ontstaan soms nieuwe gemeenschappen vanwege fusies. Je kunt denken aan gebieden in het noorden van Nederland en in de Noordoostpolder. Kleine dorpen met drie, vier kerken bundelen de krachten, al dan niet noodgedwongen. Ook daar zie je dat men dan gaat nadenken over de elementaire zaken in de gefuseerde kerk: over de liturgie, over de invulling van het ambt. Opmerkelijk is dan dat men vaak kiest voor een territoriaal kerkmodel, een binding met geografische achtergrond, in plaats voor een mentale kerk. 

Geen kruisbestuiving

Maar elkaar beïnvloeden, als het gaat om nieuwe vormen van kerk-zijn? 

June Beckx kijkt zuinig: Er is wel eens een gezamenlijke dienst, ja, of een optreden van een Ghanese muziekgroep in de Nederlandse kerk. Dat valt onder het hoofdstuk ‘exotica’. Dergelijke contacten via de liturgie zijn onschuldig, want ze vragen niets van je. Soms zijn er zakelijke contacten als een migrantenkerk een ruimte van een Nederlandse kerk huurt. Maar op kerkelijk theologisch gebied is er geen enkele invloed of kruisbestuiving. Ten minste, niet zover ik weet. 

Maar je kunt je afvragen of kerken elkaar trouwens wel ooit beïnvloeden, ongeacht of ze migrantenkerk of Nederlands calvinistische kerk zijn. Een paar jaar geleden vertelden deelnemers aan het Global Christian Forum aan elkaar hun geloofsverhaal, hun faith journey. Het was een begin van theologisch delen tussen de verschillende christelijke tradities. In Nederland heeft het Beraad van Kerken (de Raad van Kerken en andere christelijke koepels) op een bijeenkomst een keer hetzelfde principe toegepast. Het elkaar vertellen van je geloofsverhaal schiep een basis om principiële of dogmatische verschillen bespreekbaar te maken. Je moet het er toch een keer met elkaar over hebben en je kunt de verschillen niet negeren of  toedekken met de mantel der liefde. Wil je met elkaar theologiseren, dan moet je elkaar eerst vertrouwen en samen een veilige basis en veilige uitgangspunten hebben. Zeker weten dat je elkaar niet veroordeelt, maar dat je wel verschillende opvattingen kunt hebben.

Niet bang

Klaas van der Kamp is positiever: ‘Ik denk het wel. We hebben kennisgemaakt met andere liederen, met andere gebruiken in de liturgie. Door de komst van migranten zie je dat er ook andere christenen zijn. Je ziet mensen met een andere achtergrond in de kerk. De wereld wordt, hoe je het ook wendt of keert, toch in je huis gebracht. Dat maakt je nieuwsgierig.’

Van der Kamp herkent de behoefte van nogal wat protestantse en evangelische migranten die de kerk verbinden met hun eigen cultuur. Als het gaat om theologiseren, constateren Van der Kamp en Beckx beiden wél dat een hogere opleiding leidt tot meer openheid voor nieuwe vormen van kerk-zijn. Hoger opgeleiden zijn gewend om in verschillende modellen te denken. Zij zien veranderingen niet als een bedreiging. Die tendens loopt dwars door alle kerken, Nederlands of migranten-, heen. Mondige gelovigen zijn niet bang voor vernieuwingen, tot welke kerk ze ook behoren.

Een andere, gedeelde tendens blijkt de constatering dat mondige gelovigen politiek maatschappelijk meer betrokken zijn. Van der Kamp wijst in dit verband op het historische voorbeeld van de gereformeerde ‘kleine luyden’, die zich schoolden en die via het kanaal van de Vrije Universiteit nu bijna de hele kabinetsploeg leveren. 

En June Beckx herkent het bij de migranten christengemeenschappen. Kerken met hoog opgeleide leden staan meer open voor de Nederlandse samenleving en zijn meer maatschappelijk geïnteresseerd dan kerken met leden uit de middenklasse. Deze blijven meer geïsoleerd. 

Openheid

Behalve over kerkplanting, kun je ook nadenken over nieuwe vormen van kerk-zijn binnen een geloofsgemeenschap. Over liturgische vernieuwingen bijvoorbeeld. 

Beckx: Bij migrantenkerken die lijken op de Nederlandse calvinistische kerken zijn er ook veranderingen en nieuwe vormen gekomen in de erediensten. De diensten zijn minder plechtig geworden en er wordt meer gebruikgemaakt van muzikale medewerking dan vroeger. Men probeert met speciale diensten meer jongeren te trekken. Maar migrantenkerken met pentecostaleevangelische of charismatische invloeden, kennen andere prikkels tot vernieuwing. Die prikkels hebben vaak te maken met ethische vraagstukken. Vele Afrikaanse kerken, bijvoorbeeld, begrijpen de liberale christelijke opvattingen in Nederland niet. Dat dwingt hen om opnieuw na te denken over hun uitgangspunten en er nieuwe vormen voor te zoeken.

Van der Kamp ziet daar ook de noodzaak van verder gesprek, omdat het bij de grondrechten van de Nederlandse samenleving hoort dat je mensen die anders geaard zijn bijvoorbeeld niet discrimineert. Hij meent verder dat alleen al de aanwezigheid van migranten een reactie oproept bij de andere christenen. Dat vertaalt zich bijvoorbeeld in openheid voor nieuwe vormen van kerkmuziek. 

Wat kun je delen?

Maar stel dat je zelf een stem had in de invloed die migrantenkerken en inheemse kerken op elkaar hebben. Waar zou je dan op aansturen? Welk sterk punt zou je met de ander willen delen? 

Van der Kamp: Het kunnen theologiseren zoals we dat uit de joods-christelijke traditie kennen. Dat is een basisidentiteit die we delen. Tegelijkertijd maakt die basis je bescheiden en leert je relativeren. Het besef dat uiteindelijk iedereen van ons bij die eerste gemeente is weg gegroeid. We zijn in vergelijking met de eerste gemeente van joodse christenen allemaal vreemdelingen en nieuwelingen. Een tweede punt betreft het besef dat het geloof om een zeker christo-bewustzijn vraagt; we zijn als christelijke minderheden bezig de schaamtetheologie een beetje van ons af te schudden, die paste bij een seculariserende samenleving.

Beckx: De kracht van het geloof. Vaak worden migrantenkerken gezien als diaconale objecten die geholpen moeten worden. Dat is onzin. Het geloof houdt ons gaande. Onlangs was ik in een Congolese kerk. Een jonge vrouw vertelde wat haar was overkomen, in vloeiend Nederlands. Met je ogen dicht zou je niet weten dat zij een Congolese is. En toch, als ze in de Congolese kerkdienst meedoet, is ze volop Afrikaans. De kracht van de combinatie van deze beide kanten in één mens, die zou ik iedereen toewensen. De kerk heeft haar, en andere jonge mensen op het goede pad gehouden. Het geloof en de kerkgemeenschap hebben ervoor gezorgd dat jongeren die zulke vreselijke dingen als deze jonge vrouw hebben meegemaakt, niet aan de drugs zijn gegaan of dat ze crimineel zijn geworden. Het geloof is voor hen een levende kracht, in het alledaagse leven, zondags, maandags en alle dagen van de week. 

Impuls

Van der Kamp: Een nieuwe vorm, een nieuwe kerkplanting is in elk geval geen tovermiddel. Vernieuwing kan een impuls betekenen of een aanjager zijn. 

Beckx: Het schud je wakker, het blijft niet statisch, het zorgt voor beweging. 

Van der Kamp: Als ik met mijn kinderen in het buitenland ben, zijn ze zich extra bewust van de verschillen met Nederland. Een nieuwe vorm werkt als een spiegel. Zo’n spiegel zouden de migrantenkerken voor ons kunnen zijn. 

* Martijn Vellekoop rondde zijn studie theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam in augustus 2008 af met een literatuuronderzoek naar nieuwe kerkelijke gemeenten in Nederland.

— Wilbert van Saane is stafmedewerker bij de Nederlandse Zendingsraad. 

— Dineke Spee is lid van de redactie van TussenRuimte.