Gender, missie en het jeugdboek: De moeizame mannelijkheid bij Piet Prins

Kunnen gereformeerde mannen stoer en avontuurlijk zijn? Of stoere mannen gereformeerd? In de boeken van Piet Prins zijn oorlogen en zendingsgebieden nodig om een avontuurlijke mannelijkheid aan te wakkeren. En hoe krijgen gender en missie gestalte in het christelijke jeugdboek over de vervolgde kerk van nu? 

In het oeuvre van de gereformeerd-vrijgemaakte politicus en kinderboekenschrijver Piet Jongeling (Snuf de HondSheltieDe vier vrienden) kan het, maar vanzelf gaat het niet. Het ideaal van de gereformeerde mannelijkheid dat Jongeling, beter bekend onder zijn pseudoniem Piet Prins, nastreefde bestaat vooral uit goedgereformeerde huisvaders die als hoofd van het huisgezin voorgaan in gebed en bijbellezing. 

Vaak is er een (Tachtigjarige of Tweede Wereld-)oorlog nodig die christelijke mannen het verzet en daarmee het avontuur in ‘dwingt’. In veel boeken verschijnt een ‘oom’ ten tonele die als jongeman kerk en geloof vaarwel heeft gezegd om de wereld te bereizen en avonturen te beleven. Op latere leeftijd keert de oom terug naar Nederland en naar de kerk, maar tegen die tijd kan hij putten uit een breed scala avonturen uit de tijd van zijn ‘rumspringa’ (tijd voor Amish-jongeren om de ‘buitenwereld’ te verkennen – redactie). 

Of het verhaal speelt zich af in zendingsgebied waar de jungle, krokodillen en woeste stammen vanzelf voor spanning en uitdaging zorgen. Bij Piet Prins vinden we deze opening voor avontuurlijke mannelijkheid, waar ik hieronder dieper op in wil gaan, vooral in de driedelige Wambo-serie (1961). 

Eerst ga ik op zoek naar de manier hoe het spanningsveld tussen christelijke en avontuurlijke mannelijkheid wordt opgelost in de Wambo-boeken. Vervolgens ben ik benieuwd hoe hedendaagse schrijvers van christelijke kinderboeken omgaan met dit spanningsveld. Hebben we te maken met schurende idealen die typerend zijn voor de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, of fungeert de missie ook vandaag de dag nog als een oplossing voor de anders onbereikbare avontuurlijke christelijke mannelijkheid? 

Missionaire mannelijkheid

De Wambo-verhalen spelen zich af in Papoea Nieuw-Guinea, in de periode dat de provincies Papoea en West-Papoea onderdeel uitmaakten van de Nederlandse overzeese gebieden (1949-1961). De Wambo-serie bestaat uit drie delen: De jonge papoeaDe zwarte zwerver en Wambo vindt het geluk

De hoofdpersoon Wambo is een jongen in de pubertijd die opgroeit in een kleine stam van mensen die als jagers en verzamelaars leven in het oerwoud. Al snel wordt duidelijk dat het om een stam gaat waar het kannibalisme (‘koppensnellen’) nog hoogtij viert. De spanning komt in het verhaal wanneer Sirja ten tonele verschijnt: een meisje uit een gekerstende stam dat door de familie van Wambo wordt opgenomen. Het is Wambo’s eerste kennismaking met verhalen over ‘toean Jezus’, verhalen die niet bij iedereen in het dorp welkom zijn. De spanning wordt verhevigd door de hongersnood waarin de stam zich bevindt. De crisis wordt door Sendivar, de ‘tovenaar’ van het dorp, sterk geïnterpreteerd in termen van falende mannelijkheid. Tijdens een crisisberaad wordt hem gevraagd waarom het de stam zo slecht vergaat:

‘Waarom? Omdat er bij ons geen mannen meer zijn, maar enkel vrouwen en kinderen! Onze mannen hebben een vrouwenaard gekregen! Zacht en bang zijn ze geworden! Ze maken geen sneltochten meer om vijanden te doden en koppen te snellen en wreken de doden niet. Al lange tijd zijn er geen verse koppen meer gekomen. Daardoor hebben wij geen nieuwe zielskracht gekregen.’ (De jonge papoea, blz. 73)

Een ‘sneltocht’ tegen het veel sterkere dorp Kitoe moet de mannelijkheid in ere herstellen, maar verloopt dramatisch. Bij een tegenaanval worden de volwassenen uit het dorp van Wambo gedood en de kinderen worden meegevoerd. Wambo weet daarbij kort na aankomst te ontsnappen en zwerft daarna door het oerwoud om ‘witte mensen’ te vinden die zijn zusje Mawi en pleegzusje Sirja willen bevrijden. Algauw volgt inderdaad zijn eerste kennismaking met de ‘Pendita’, de zendeling die Wambo als pleegzoon aanneemt. 

Het derde deel, Wambo vindt het geluk, draait om de succesvolle bevrijding van Sirja en Mawi uit Kitoe, maar meer nog om de bekering van Wambo. De integratie van Wambo in de in belangrijke mate door Nederlands bestuur beïnvloede samenleving en zijn inlijving in het christendom, gaan met spanningen gepaard die, opnieuw, door Prins vooral begrepen worden in termen van gender. 

In de eerste plaats moet Wambo wennen aan een nieuwe rol- en taakverdeling in zijn nieuwe dorp: 

Soms gaat hij met de dorpelingen mee naar de tuinen. […] In zijn vroegere dorp werd maar weinig aan landbouw gedaan. Sommige vrouwen kweekten vruchten en tabak, maar de mannen voelden zich te goed om zich met zoiets bezig te houden. Hier is dat anders. […] Het zal wel weer iets te maken hebben met de invloed van de witte mensen. (Wambo vindt het geluk, blz. 360)

In de tweede plaats blijft het oude leven trekken, waar Wambo zijn mannelijkheid kon bewijzen door een goede koppensneller te worden en waarin hij vrij was om te jagen en te vissen. Prins lijkt zelf ook in te zien dat ‘Wambo vindt het geluk’ in een jongensboek moeilijk gelijk kan staan aan ‘Wambo gaat naar school en naar de kerk’. Prins heeft daarom nog enkele kunstgrepen nodig om de christelijke, witte mannelijkheid aantrekkelijk te maken. De eerste is de introductie van het verre oomachtige personage Rodermont, jager en handelaar in krokodillenhuiden. Rodermont vormt het bewijs dat stoere, actieve mannelijkheid en witheid samen kunnen gaan. 

De geestelijke strijd

Harmonisering van avontuurlijkheid en christelijke mannelijkheid vindt echter pas plaats wanneer duidelijk wordt dat de zendeling weliswaar niet met wapens vecht, maar dat hij een strijd voert die eigenlijk nog moeilijker en zwaarder is: de geestelijke strijd. Dit blijkt bijvoorbeeld wanneer de ‘Pendita’, op bezoek bij een dorp dat al langer onder Nederlands bestuur valt en waar de ‘heidense gebruiken’ zijn teruggedrongen, reflecteert op zijn inspanningen:

Hij zou zo graag willen dat het in zijn eigen standplaats ook zo ver was. Daar lijkt het immers vaak, alsof het brengen van Gods Woord geen verandering brengt! En toch voelt hij zich ook bemoedigd. Als het evangelie hier blijkt door te werken en de mensen verandert, dan zal dat op Gods tijd ook daar gebeuren. Hij hoeft alleen maar gehoorzaam te zijn en Gods Woord te brengen. God zal wel groei geven … (Wambo vindt het geluk, blz. 451) 

De inspanningen gaan ook aan Rodermont niet ongemerkt voorbij. 

Hij ziet de zuster bezig met de verzorging van zieken en hij krijgt steeds meer bewondering voor het kleine, dappere groepje blanken dat hier midden in het oerwoud vecht tegen de grote macht van het heidendom.(Wambo vindt het geluk, blz. 432)

Zo kan er een dappere, geestelijke christelijke mannelijkheid ontstaan die niet onder hoeft te doen voor de mannelijkheid van de jacht. De bekering van Wambo wordt een alternatief inwijdingsritueel dat de plaats van het inwijdingsritueel van zijn stam (het koppensenellen) vervangt. 

In de ‘missionaire mannelijkheid’ kunnen avontuur en christendom samengaan, maar er zitten wel wat problematische elementen in. De missionaire mannelijkheid wordt pas echt van kracht na de erkenning en sanctionering van een andere witte man (Rodermont) wiens mannelijkheid onbetwist is. Daarnaast kan de missionaire mannelijkheid alleen bestaan bij de gratie van een koloniale ideologie waarbinnen de inheemse bevolking ‘de ander’ is die opgevoed en veranderd moet worden. De avontuurlijkheid van de christelijke man wordt, ten slotte, in Wambo sterk afgezet tegen het passieve martelaarschap van het christelijke meisje of de christelijke vrouw. Terwijl Wambo door het oerwoud zwerft en avonturen beleeft, zit Sirja biddend en vertrouwend wortel te schieten in Kitoe. 

Serie De vervolgde kerk

Sinds het verschijnen van de Wambo-serie is meer dan een halve eeuw verstreken. Hoe zit het met missionaire mannelijkheid in hedendaagse kinderboeken? Een rondje langs enkele christelijke uitgeverijen levert geen kinderboeken op die gesitueerd zijn in de hoogtijdagen van de Nederlandse missie in de koloniale gebieden. 

Wel is bij uitgeverij De Banier, in samenwerking met de organisatie Open Doors, tussen 2009 en 2015 een serie van acht kinderboeken verschenen: De vervolgde kerk. Deze boeken thematiseren het leven van christenen die in landen wonen waar bijvoorbeeld de islam dominant is (Iran, Irak, Afghanistan, Egypte, Pakistan) of probeert te worden (Nigeria). De andere boeken zijn gesitueerd in het communistische Noord-Korea en het overwegend hindoeïstische India. Deze boeken vormen mooi vergelijkingsmateriaal. 

Opvallend zijn vooral de verschillen met Wambo. De kinderen (jongens én meisjes) in de serie De vervolgde kerk zijn met hun tijd meegegaan: ze voetballen, hebben (soms) mobiele telefoons en bekijken filmpjes op YouTube. Ze willen naar de universiteit of naar de kunstacademie. Terwijl bij Piet Prins het christendom de impliciete belemmering is voor avontuurlijke mannelijkheid, is een christelijke identiteit in De vervolgde kerk-serie juist de aanleiding voor het ontstaan van een spanningsboog. Christen zijn betekent voor de hoofdpersonen dat ze risico’s lopen. De mannelijkheidsidealen en de praktijken van de heersende, niet-christelijke cultuur hebben ook niet, zoals in Wambo, iets avontuurlijks en aantrekkelijks. De aan de heersende cultuur verknoopte genderideologie vormt voor de hoofdpersonen juist vaak de aanleiding om twijfels te hebben bij de cultuur waar ze in leven. Amal, de dertienjarige hoofdpersoon uit Geheim vuur, dat zich afspeelt in Egypte, overpeinst bijvoorbeeld:

Mama is altijd al anders geweest dan andere moeders. Ze is creatief en maakt mooie dingen. Tot ergernis van papa trouwens, en vooral van oom Omar. Zij vinden dat een moslimvrouw zich door hobby’s laat afleiden van de dienst aan Allah. (Geheim vuur, blz. 39)

De introductie van het christendom in de levens van de hoofdpersonen betekent in de meeste gevallen ook het bevragen van rollenpatronen. De vader van Amal uit Geheim Vuur luistert stiekem naar een christelijke zender en raakt er steeds meer van overtuigd dat Amal naar school moet. Voor Amir, de hoofdpersoon uit De schatkamer (Iran) is het een opluchting dat hij van zijn christelijke buren gewoon met zijn buurmeisje mag blijven spelen. Christendom raakt op deze wijze verknoopt met een gelijkheidsideaal. Sporen hiervan zagen we ook bij Wambo, die moet wennen aan een gelijke werkverdeling tussen mannen en vrouwen in zijn nieuwe leefomgeving. 

Moed en vertrouwen

Je zou kunnen zeggen dat Sirja’s ideale vrouwelijkheid van martelaarschap, vertrouwen en afwachten, waarlangs Piet Prins in Wambo zijn missionaire mannelijkheid construeerde, in De vervolgde kerk-boeken de nieuwe norm wordt die vrouwen én mannen nastreven. De serie gaat ook wel over innerlijke twijfels en aanvechting van het nieuwverworven geloof, maar in veel mindere mate dan in Wambo. Hier geldt: wie eenmaal bekeerd is, blijft bekeerd. 

De boeken gaan veel meer over de risico’s ‘aan lijf en leden’ die de hoofdpersonen moeten nemen vanwege hun geloof. Zowel jongens als meisjes, mannen als vrouwen krijgen de kans om door de standvastigheid van hun geloof, hun mildheid voor en vergeving van de vijand en hun vertrouwen in de goede afloop, hun moed te tonen. 

Waar bij Piet Prins de geestelijke strijd mede diende om de avontuurlijkheid van de witte man te laten concurreren met de ‘wilde natuur’ van de inheemse man, kan de christelijke moed in De vervolgde kerk-boeken vooral bestaan naast de fundamentalistische overtuigingen van de moslimman. Dit levert een nieuwe spanning op: de schrijvers willen graag vermijden dat er een eenzijdig beeld van de islam wordt geschetst (‘alle moslims zijn slecht’), maar er moet ook dreiging en spanning ontstaan. 

Een hulpgreep daarbij is een personage als ‘oom Omar’ in Geheim vuur. Een dergelijk personage komt vaker voor in de boeken en doet denken aan de verre-oom-constructie van Piet Prins. De ooms (of neven, of buurmannen) uit de serie zijn er de oorzaak van dat de hoofdpersonen in de problemen komen. Ze vertegenwoordigen de slechtste kanten van de religie, zonder dat ze per definitie representatief zijn voor alle moslims. 

De hulpgreep lukt maar ten dele. Er ontstaat uiteindelijk toch een vrij absoluut (en in feite een vrij protestants) beeld van de islam als vooral een verzameling opvattingen. Voor de verschillen tussen diverse stromingen en voor islam als geleefd geloof is (met uitzondering van Geheim vuur) niet veel aandacht. Omdat de bekering centraal staat gaat het al snel om een soort tweestrijd tussen de Bijbel en de Koran, tussen Jezus en Mohammed. 

Niet op zichzelf staand

Bij zowel Piet Prins als de schrijvers van De vervolgde kerk-serie zien we dat mannelijkheid, ook christelijke mannelijkheid, altijd vorm krijgt binnen een bepaalde culturele context. Mannelijkheid kan niet op zichzelf staan, maar moet worden afgezet tegen iets anders, waarbij vrouwelijkheid, etniciteit en religie een belangrijke rol spelen. 

Christelijke mannelijkheid ontstaat bijvoorbeeld in relatie tot passieve vrouwelijkheid, wilde inheemse mannelijkheid en voorstellingen van de islam als beperkend en verknoopt met regels. De mannelijkheid die geconstrueerd wordt in kinderboeken over missie en christenvervolging krijgt in deze boeken bovendien vorm door de ogen van westerse auteurs die een niet-westerse wereld omschrijven. Daarbij krijgt niet alleen die niet-westerse wereld nogal eens essentialistische trekken, maar ook de christelijke opvattingen en cultuur die het morele uitgangspunt vormen. Wanneer het christendom verknoopt wordt met vrouwenemancipatie wordt bijvoorbeeld gemakshalve even vergeten dat die emancipatie voor christenen in het Westen ook relatief nieuw is. 

ze bedoelt dat sommige dingen als “wezenlijk of van nature tot een bepaald volk of geslacht behorend,” e.g., de gedachte – ik formuleer nu even heel salopp – dat een zwarte man van nature (!) een enorme seksuele drive heeft, terwijl een witte vrouw wezenlijk kwetsbaar is en beschermd moet worden.

Literatuur

David J. Bos, ‘The Power to Pray: Models for Prayer in Children’s Books by Willem G. van de Hulst’, in: Religion & Theology 24 (1/2, verwacht 2017)

J. Donkersteeg, Geheim vuur. Vervolgde christenen in Egypte, Apeldoorn: De Banier, 2013 

L. Hammenga, De schatkamer. Vervolgde christenen in Iran. Apeldoorn: De Banier, 2014

A. Heijboer, Verborgen schat. Geheime gelovigen in Noord-Korea, Apeldoorn: De Banier, 2011

E. Koolmees, Levensgevaarlijk. Vervolgde christenen in India, Apeldoorn: De Banier, 2015 

E. Koolmees, Live uit Bagdad, Apeldoorn: de Banier, 2012 

E. Koolmees, Niet te geloven!, Apeldoorn: De Banier, 2010 

P. Prins, Wambo Omnibus, Barneveld: De Vuurbaak, 2007 [1961]

J. van Reenen, Verboden letters op de muur. Vervolgde christenen in Pakistan, Apeldoorn: De Banier, 2015 

J. van Reenen, Mijn vijand, mijn vriend. Vervolgde christenen in Nigeria, Apeldoorn: De Banier, 2009

— Mariecke van den Berg werkt als wetenschappelijk onderzoeker bij Atria, Kenniscentrum voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis, en als bestuurssecretaris bij NOSTER, Nederlandse Onderzoekschool voor Theologie en Religiewetenschap.