Palmoliebomen in de kerktuin?

Weergave door Willem van der Deijl van een discussie in het traject Zending en Scheppingszorg

Creation Care van onderop
Hoe denk je als zendingsorganisatie na over wat je aan moet met rentmeesterschap, ecojustice of creation care, of hoe je het ook noemt? Het gaat om vragen over wat je roeping en je rol is als organisatie, over hoe je wel of niet enig verschil kunt maken, en over hoe de relaties zijn die je hebt als kerk in Nederland met de kerk ver weg. En natuurlijk moet je er een theologisch dragend verhaal bij hebben. Maar wie of wat bepaalt eigenlijk dat theologische verhaal: is dat onze eigen bijbeluitleg en traditie, is het onze Nederlandse contextuele bepaaldheid, of laten we ook onze partnerkerken aan het woord komen met de situaties waarin zij verkeren, met hun geleefde ecotheologie van onderop?

Gelaagde theologie
Zo spraken we onlangs samen als zendingsorganisaties, bij de vierde sessie van ons bezinningstraject over zending en scheppingszorg. We stonden erbij stil dat theologie gelaagd is:
In de praktische theologie wordt onderscheid gemaakt tussen formele, normatieve, geleefde en gesproken theologie. Concreet betekent dat bijvoorbeeld dat wij niet in ons eentje een ‘groene zending’ op het spoor kunnen komen, zonder ook te luisteren naar de christenen in Zuid-Papoea van wie het tropisch regenwoud wordt afgenomen voor grootschalige oliepalmplantages, of naar de geloofsbeleving van kerken in Oeganda die in eenheid proberen te leven met het bedreigde bos. Geleefde theologie, of theologie van onderop, spreekt vaak krachtiger en eerlijker dan de conceptuele theologie van bovenaf, uit onze boeken en visienota’s, omdat het geworteld is in de dagelijkse, vaak weerbarstige realiteit. 

We moeten dus onder ogen zien dat het complex en rafelig is. Die verschillende lagen van theologie, daartussen kan het schuren. Het kan zijn dat ik diep doordrongen ben van de heiligheid van Gods schepping, maar er moet wel brood op de plank komen. Dan kies ik misschien toch wel voor iets wat die heiligheid misschien tegen lijkt te spreken. Het kan bijvoorbeeld zijn dat je als je als zendingsorganisatie net tot het inzicht bent gekomen wat de negatieve effecten zijn van die palmolieplantages, en dat je dan een verzoek krijgt van je partnerkerk in Indonesië die hulp vraagt om in hun kerktuin juist palmbomen te gaan zetten. Die leveren immers geld op, en zo kunnen ze de kosten van het kerkgebouw en de predikant bekostigen, ook al gaat dat misschien ten koste van de natuur. Kortom: mensen moeten gewoon leven, en ook de economie kleurt dus hun geleefde theologie en praktijk. Hoe is dat trouwens hier in Nederland: kopen we (als christenen) elektrische auto’s vanwege onze zorg om de schepping of vanwege onze portemonnee? Bepaalt de penningmeester of de ecotheologie dat er zonnepanelen komen op het dak van de kerk? En loopt de geleefde theologie dan voorop op onze overtuigingen of werkt ze juist als rem?

Financiële overlevingsdrang
We constateren in ons gesprek dat christenen in het mondiale Zuiden aan de ene kant serieus de gevolgen ervaren van de klimaatverandering en de milieucrisis, en daarvoor schreeuwen om onze aandacht. En tegelijk zoeken ze manieren om binnen hun eigen systeem ook te overleven, zoals bijvoorbeeld door die oliepalmbomen, om daarmee de predikant te kunnen betalen. Op dezelfde manier, maar met een veel grotere voetafdruk, willen wij graag ‘overleven’ in ons systeem en een comfortabele auto rijden en een lage energierekening hebben. We willen geen stappen achteruit zetten, dus blijven we (zelfs als klimaatbeweging) geloven in vooruitgang en in technische oplossingen voor de problemen.

Ons richtsnoer om hieruit te geraken, merkt iemand op, moet niet allereerst zijn om de geleefde theologie van onze broers en zussen op het spoor te komen, maar meer nog de vraag: hoe kunnen we een praktijk op het spoor komen van wat God in deze wereld aan het doen is te midden van onze financiële overlevingsdrang, zowel in Indonesië als hier in Nederland. Wat is Gods Geest aan het doen waar Hij ons uitnodigt om mee te doen op dit terrein van klimaat, landbouw en natuur?

Waartoe zijn we geroepen?
Het gesprek gaat verder. Ons leven hier en het leven van anderen ver weg is verbonden met elkaar. Ons leven heeft invloed op hun leven, ook door de palmolie die wij consumeren en de lithium voor onze batterijen. Ghandi sprak de woorden: “live simply so that all may simply live”. Echter, in onze geglobaliseerde wereldeconomie ervaren we wel dat onze levens deel zijn van hetzelfde systeem, maar we zien in alle complexiteit niet meer hoe we iets ten goede kunnen doen. We lijken allemaal gevangen in een economisch systeem dat intrinsiek vervuilend is. Als zendingsorganisatie ontkomen we er niet aan om het vliegtuig te gebruiken. Zelfs elke email die we sturen kost energie. En mensen elders op de wereld betalen de prijs.

Misschien moeten we accepteren dat we niet verder kunnen komen dan proberen het goede te doen, ook al voelen we ons machteloos? Misschien zijn we alleen geroepen om bakens van hoop op te richten? Zoals een bord in een winkelcentrum: “hier komt restaurant X”. Kunnen wij alleen maar vooruitwijzen: “hier komt Gods koninkrijk” – zonder de pretentie zelf iets op te lossen?

Is dat een dwaze houding, of juist een gelovige? Of getuigt het juist van geloof om te zeggen: we zijn als Israël in het slavenhuis van Egypte. Onze economie is net zo destructief als dat imperium. Maar wij zijn geroepen om te geloven dat er een uitweg is uit deze slavernij. Iemand in het gesprek zei het zo:
“Wij horen te weinig de stemmen van de mensen die lijden. Dus, naast de vraag ‘waar is Gods Geest aan het werk’ zou ik de vraag willen stellen: waar zien en horen we Christus lijden? Is dat niet waar zendingsorganisaties een taak hebben? Wij moeten het verhaal van de slaven laten horen, want God hoort de kreet van de slaven die door de farao wordt gesmoord.” En geldt dat ook niet dicht bij huis: we zijn niet echt machteloos. Onze gewone levenskeuzes hebben echte consequenties, en verandering is mogelijk.

De kracht van verbinding
En wat is dan specifiek de rol van de zendingsorganisatie? Je hebt die unieke plek dat je die verbinding kan leggen tussen wat ‘daar’ gebeurt en wat wij ‘hier’ doen. Het filmpje dat we keken, over verbinding tussen studenten in Indonesië en Nederland – videodialogen over de gevolgen van onze levensstijl, eindigde met de opmerking: “verandering begint waar we durven te kijken”. Als er echt verbinding kan ontstaan tussen hun leven en ons leven, als we echt luisteren en zien, dan gebeurt er iets. Als we echt verbonden zouden raken met die kerk in Indonesië, die oliepalmbomen moet planten in hun kerktuin, en als we ons echt over hen zouden ontfermen, zouden zij dan die bomen misschien helemaal niet hoeven planten? Maar dan kost het me wel iets… En simpel is het niet. Want de problemen blijven te groot voor gewone mensen om op te lossen. Dus als we de verhalen delen in de kerken in Nederland, dan schieten we gemakkelijk in een schuldreflex of in een kramp.

Rafelige theologie
Of we schieten in de reflex dat geld de oplossing is. Een zendingsorganisatie moet ervoor waken om niet de grote problemen in hapklare brokken te serveren zodat er geld binnenkomt in de collecte. Dan hebben we de stemmen niet echt aan het woord gelaten, dan is er geen verbinding geweest van mens tot mens, en dan hebben we niet eerst het probleem gevoeld, want wij doen alsof we de oplossing al hebben. Er moet ruimte zijn voor meer rafelige theologie: over de rommel die we aanrichten en over de onoplosbaarheid van de problemen.

Als we proberen problemen op te lossen met geld is dat de meest magere manier van verbinding leggen: “schud je portemonnee maar leeg – maar ik zit hier als gemeentelid in deze individualistische samenleving al eenzaam te wezen – als ik m’n portemonnee leegschud, wat is dan de verbinding die ik heb?” Zij ‘daar’ en wij ‘hier’ hebben allemaal die verbinding nodig: “Dan ben ik ook de redder niet meer, maar dan ontstaat er iets van die wederkerige relatie onderling waarbij je merkt: wij hebben elkaar op deze wereld nodig als mensen samen, ook met de natuur om ons heen, om shalom te vinden.” Geld is een te magere oplossing. We moeten niet uit schuldgevoel of angst of hopeloosheid onze portemonnee trekken. Ik heb mijn broers en zussen uit Indonesië nodig om te begrijpen wat hoop is, en omgekeerd. Dat moeten wij echt leren, want iemand uit Afrika merkte eens op: “jullie Nederlanders zijn zeer vrijgevig – jullie helpen overal, als er ergens een crisis is – maar jullie geven jezelf niet, jullie geven niet je vriendschap. Jullie houden ons op afstand.”

Misschien moet de conclusie zijn, dat zending waarbij we oog hebben voor de schepping om ons heen, ingekleurd moet worden door concrete schepselen en concrete mensen, meer dan door abstracties van normatieve theologie. Het begint met het plantje waar je oog voor hebt, en de mens die je in de ogen kijkt. Veel mensen raakten afgeknapt op de klimaatbeweging en haar zogenaamde oplossingen, en zijn maar zelf een moestuin begonnen. “Het leven is eigenlijk niet ingewikkelder dan een moestuin”, merkte iemand op.