5 vragen interview aan Jiska Chin-A-Teh, MissieNederland

Deze keer worden onze vijf vragen beantwoord door Jiska Chin-A-Teh, die intensief met zending bezig is als strategisch verbinder bij ons partner-netwerk MissieNederland. “Ik word er blij van als mensen ontdekken dat het evangelie te mooi is om voor zichzelf te houden. Dat ze, soms met knikkende knieën, stappen zetten om het te delen. Steeds weer zie ik hoe bevrijdend dat is en hoeveel vreugde het brengt.”

1. Even voorstellen: wie ben je en wat heb je met zending?

Ik ben Jiska Chin-A-Teh, 42 jaar, getrouwd en trotse moeder van een zoon van 14 en bonusmoeder van een zoon van 27. Ik ben opgegroeid in Suriname, waar mijn ouders als zendelingen werkten. Van mijn zesde tot mijn zeventiende jaar heb ik daar gewoond.

Die periode heeft mijn blik op de wereld enorm verbreed en verdiept. De terugkeer naar Nederland was niet altijd makkelijk. Als TCK – Third Culture Kid – heb ik geworsteld om mijn plek weer te vinden, en soms kom ik dat nog steeds tegen. Toch zie ik het vooral als een rijkdom die ik meedraag.

In mijn gemeente, CAMA Parousia Gouda, ben ik al jaren betrokken bij het ondersteunen van zendelingen en het stimuleren van missionaire betrokkenheid. Sinds begin 2020 werk ik bij MissieNederland, waar ik me onder andere bezighoud met het werkveld van de voormalige Evangelische Zendings Alliantie (EZA). Mijn rol als Strategisch Verbinder past daar goed bij: mensen, organisaties en initiatieven met elkaar verbinden.

Daarnaast ben ik de afgelopen jaren steeds meer betrokken geraakt bij de EEMA, de European Evangelical Mission Association. Binnenkort mag ik Europa vertegenwoordigen in de Mission Commission van de World Evangelical Alliance (WEA). Dat voelt bijzonder en ook wel als een verantwoordelijkheid.

2. Waar liggen voor jou programmatisch de uitdagingen voor jouw werk/jouw organisatie in de komende tijd?

Als ik kijk naar de uitdagingen in mijn werk, in Nederland en Europa, draait het voor mij om één woord: samen. Ik geloof dat God de kerk als een lichaam heeft bedoeld. We hebben elkaar nodig, juist omdat Gods missie groter is dan wat wij individueel kunnen dragen. En boven alles: het is Zijn missie – wij mogen daarin meebewegen.

Een belangrijke uitdaging is hoe we binnen koepels zoals MissieNederland, de NZR en in Europa weer kunnen groeien naar echte betrokkenheid en relevantie voor deze tijd. Niet alleen op papier, maar in de praktijk: elkaar vinden, delen waar we mee bezig zijn, van elkaar leren en samen nadenken over de vragen die op ons afkomen.

Ik merk dat er missionair veel gebeurt – misschien wel meer dan ooit. Tegelijk zie ik ook dat er overlap is tussen organisaties en initiatieven. Soms schuurt dat, en heel eerlijk: soms voelt het bijna alsof er sprake is van concurrentie. Dat raakt me, omdat ik denk: dit is niet hoe het bedoeld is. Verschillen mogen er zeker zijn maar ik geloof dat er een grote kans ligt, juist in die overlap. Een kans om elkaar beter te leren kennen en elkaar te versterken in plaats van elkaar voorbij te lopen.

Wat niet helpt, is de cultuur van snelheid en zichtbare resultaten. Terwijl ik geloof dat samenwerking tijd nodig heeft. Relaties en vertrouwen groeien langzaam. In Gods Koninkrijk gaat het niet om snelle successen, maar om gehoorzaamheid en trouw, stap voor stap.

En misschien nog wel het belangrijkste: dat we niet bouwen aan onze eigen kleine koninkrijkjes, maar oog houden voor wat God in het grotere geheel aan het doen is.

3. Hoe zie jij de verhouding tussen zending binnen Nederland en zending vanuit Nederland en zending van overal naar overal?

Dit is een vraag waar spanning op kan zitten. Ik zie verschillende perspectieven naast elkaar: zending als uitzenden naar het buitenland, zending hier in Nederland, en het groeiende besef van “van overal naar overal”.

Mooie perspectieven, maar ze botsen soms. Mensen kunnen zich stevig uitspreken over wat “echte” zending is. En dat vind ik eerlijk gezegd jammer. Want het kan iets afbreken van de eenheid die we nodig hebben.

Voor mij is het uitgangspunt dat zending Gods missie is. Hij roept en zendt, op verschillende manieren. Daar moet ruimte voor zijn.

Tegelijk zie ik dat het speelveld verandert. Waar zending vroeger vaak “ver weg” was, is de wereld nu dichtbij gekomen. Door migratie wonen mensen van allerlei achtergronden om ons heen of dichterbij dan ooit. Dat zie ik niet als toeval, maar als iets waarin Gods hart en strategie zichtbaar worden. Het vraagt wel dat we leren om anders te kijken en open te staan voor wat God hier en nu doet.

Het is ook een complex veld. Thema’s als migratie en kolonialisme spelen mee in hoe we naar zending kijken. Dit kunnen we niet negeren. Daarom geloof ik dat we samen moeten zoeken – als kerken, organisaties en netwerken – op zoek naar Gods perspectief.

4. Waar gaan jouw ogen van glimmen?

Mijn ogen gaan glimmen van passie: passie voor Jezus, om Hem te volgen en deel te zijn van wat God doet. Wat me daarin raakt, is wanneer mensen erkennen dat ze het niet zelf kunnen en God nodig hebben. Als er geloof is dat Hij de weg baant, zelfs als wij die nog niet zien. En wanneer er dan dingen gebeuren die je niet had verwacht, groeit mijn ontzag voor de Heer elke keer weer.

Ik word er ook blij van als mensen ontdekken dat het evangelie te mooi is om voor zichzelf te houden. Dat ze, soms met knikkende knieën, stappen zetten om het te delen. Steeds weer zie ik hoe bevrijdend dat is en hoeveel vreugde het brengt.

Daarnaast geeft de jongere generatie me veel hoop. Ik zie daar vaak een onbevangenheid die wij soms zijn kwijtgeraakt: minder beren op de weg, gewoon gaan. Dat is inspirerend.

Tegelijk ligt daar ook een verantwoordelijkheid. Hoe ondersteunen en begeleiden we hen zonder hun enthousiasme te temperen? Hoe zetten we onze ervaring in zonder het nieuwe wat God doet te beperken? Dat houdt me bezig en daar verwacht ik ook veel van.

5. Hoe kunnen we elkaar als kerken en zendingsorganisaties versterken in de missionaire opdracht?

Ik geloof dat kerken in de kern missionair bedoeld zijn. Daar ligt de basis. Tegelijk zie ik dat kerken soms zoeken naar hoe ze dat vormgeven, zeker bij complexere vormen van zending. Zendingsorganisaties hebben vaak kennis en ervaring opgebouwd op dat vlak. Daar ligt dus een mooie kans voor samenwerking.

Het gaat er niet om dat organisaties het werk van kerken overnemen, zoals in het verleden soms gebeurde. Juist niet. Het gaat erom dat we naast elkaar staan en elkaar aanvullen.

Ik zie in de praktijk helaas ook wat er mis kan gaan. Mensen die met de beste intenties vertrekken, maar zonder goede voorbereiding of begeleiding. Zeker in gebieden waar het niet vanzelfsprekend is om over geloof te praten, kan dat grote risico’s met zich meebrengen. Maar ook op de langere termijn kunnen er problemen ontstaan – bijvoorbeeld als het gaat om financiën of de relatie met de thuisgemeente.

Daarom geloof ik dat we elkaar echt nodig hebben. Voor mij begint goede samenwerking met luisteren. Echt luisteren naar elkaar. Wat is het verhaal van een kerk? Wat heeft God daar al gedaan? En hoe kan een organisatie daarbij aansluiten?

Andersom geloof ik ook dat kerken open mogen staan voor advies. Niet omdat organisaties het beter weten, maar omdat ze mee willen denken in zorgvuldigheid en duurzaamheid.

En misschien wel het belangrijkste: dat we blijven beseffen dat het Gods missie is. Dat haalt de druk eraf. Ik zie zoveel mensen die zich inzetten met hart en ziel, maar ook moe raken en het gevoel hebben dat alles van hen afhangt.

Terwijl ik geloof dat het anders mag. Ik ben hier zelf ook lerende in. Dat we mogen werken vanuit rust. Dat God door zijn Geest dingen in beweging zet en wij daarop mogen aansluiten.

Mijn verlangen is dat we steeds meer samen optrekken – als kerken en organisaties. Dat we elkaar vinden, elkaar versterken en samen zoeken naar Gods weg – hier in Nederland, in Europa en wereldwijd.

Want Gods missie is wereldwijd, en we zijn allemaal uitgenodigd om mee te doen.