Missionaire mannelijkheid: Hervormde zendelingen tussen 1900-1949

De figuur van zendeling roept bij mensen allerlei beelden op: van heroïsche en zelfopofferingsgezinde pioniers tot imperialistische onderdrukkers. Ongeacht de verschillen tussen deze associaties hebben ze vrijwel altijd één ding gemeen: het gaat over mannen. 

Als ik mensen vertel over mijn promotieonderzoek naar de vorming en biografische representatie van zendingsidentiteit reageren ze meestal verbaasd als ze horen dat zendelingen vaak een vrouw hadden die meeging naar het zendingsveld. Laat staan dat ze er erg in hebben dat er ook vrouwelijke zendingswerkers waren. Ook mensen die thuis zijn in de geschiedenis van de zending denken in eerste instantie vaak aan mannen, en dan vooral grote namen als Albert Kruyt, Nicolaas Adriani en Hendrik Kraemer. De associatie tussen zendelingen en mannelijkheid is diepgeworteld. Maar wat houdt dat precies in? In dit artikel verken ik de associatie tussen zendelingen en masculiniteit binnen representaties van hervormde zendingswerkers in de eerste helft van de twintigste eeuw.1

Gender en zending

De associatie van zendingswerkers met mannen is niet zo vreemd: lange tijd waren mannen de enige officiële werkers in dienst van de Nederlandse zending. Daar kwam pas in 1904 verandering in met de aanstelling van Anna Pijsel, de eerste vrouwelijke zendingsarts. Hierna steeg het aantal vrouwelijke medische zendingswerkers gestaag. De eerste vrouwelijke zendelinge volgde in 1935: Christine Slotemaker de Bruïne. 

Internationaal gezien was de Nederlands-hervormde zending niet zo vlot met het aanstellen van vrouwelijke medewerkers. Toen het idee van zendingswerk ‘voor vrouwen, door vrouwen’ doordrong binnen de Nederlandse zending (voorzichtig rond 1900, prominenter in de jaren twintig), was het aantal vrouwelijke werkers in bijvoorbeeld de Engelse en Amerikaanse zending al heel groot. Zo groot zelfs dat hedendaagse historici spreken van een vrouwelijk overwicht binnen deze zendingsorganisaties vanaf het einde van de negentiende eeuw. Toch bleef ook in deze landen de mannelijke zendeling dominant figureren, al is dit gedeeltelijk gecorrigeerd door een breed gedragen initiatief in de historiografie van de afgelopen decennia waarin vrouwelijke zendingswerkers en genderperspectieven veel aandacht krijgen.2

De aandacht voor gender binnen de internationale zendingshistoriografie betekende in eerste instantie vooral een focus op de rol van vrouwen binnen de zending. De afgelopen tien jaar heeft die onderzoeksinteresse zich echter verbreed. Dit vertaalt zich onder andere in aandacht voor de rol van mannelijkheid of masculiniteit. Niet langer wordt de rol van mannen en masculiniteit binnen de zending als vanzelfsprekend, neutraal of constant gezien, maar geanalyseerd wordt hoe mannelijkheid werd ingezet en geïntegreerd in identiteitsvormingsprocessen van individuele zendelingen en de zendingsorganisaties als collectief. Daarin speelde niet alleen de zelfdefiniëring van zendelingen (als evangelieverkondigers) en zending een rol, maar ook de wisselwerking tussen andere zendingswerkers en sociale groepen in de samenleving.3 Dit artikel is vanuit deze invalshoek geschreven.

Publieke representaties 

Zendingstijdschriften speelden een belangrijke rol in de ideeënvorming over zending en zendelingen bij het Nederlandse publiek. Deze tijdschriften werden geredigeerd door de zendingsorganisaties en bevatten stukken van de hand van zendingswerkers en het zendingsbestuur. De tijdschriften legden onder andere belangrijke momenten uit het leven van individuele zendingswerkers vast, zoals benoeming, werkzaamheden, jubilea en overlijden. Uit deze biografische teksten zijn bij uitstek ideeën over zendingsidentiteit en de rol van mannelijkheid op te maken. Vooral de necrologieën, waarin een mate van waardering voor de persoon in kwestie wordt beschreven, leveren een belangrijke ingang voor het achterhalen van de karaktereigenschappen die door de zendingsorganisaties als kern van zendingsidentiteit werden gezien.

Naast het memoreren van de persoon in kwestie werd vaak een patroon gevolgd, waarin bepaalde zinsneden en navolgenswaardige karaktereigenschappen terugkeerden. Met name waarden zoals ijver, toewijding, doorzettingsvermogen en sociale vaardigheid in de vorm van hartelijkheid en opgewektheid, die geassocieerd worden met de middenklasse. In de necrologieën komen ook de indertijd heersende ideeën in de koloniale samenleving naar voren over de mogelijkheid je op te werken, over discipline en daadkrachtig optreden in vreemde omstandigheden, en gehoorzaamheid aan het gezag. Deze ideeën rondom de selfmade man – zoals Kristin Fjelde Tjelle ze benoemt voor Noorse zendelingen in Zuidoost-Afrika – gingen gepaard met expliciet christelijke waarden als zelfopoffering, bescheidenheid en de opvatting dat de zendeling slechts een werktuig in Gods hand was.4

Deze wisselwerking tussen middenklasse en koloniale masculiniteit met christelijke (en vaker als vrouwelijk getypeerde) zelfverloochening van Nederlandse zendingswerkers, bevestigt het beeld dat ook in studies over missionaire mannelijkheid binnen zendingsorganisaties uit andere landen naar voren komt.

Overigens zijn niet alle componenten van missionaire mannelijkheid eenduidig onder te brengen bij een van deze drie eigenschappen, omdat ze elkaar ook overlappen. Zo droeg discipline bijvoorbeeld een element van de Nederlands-koloniale klassensamenleving in zich, maar ook het deelnemen aan een steeds verder geprofessionaliseerde moderne organisatie en het idee van het volgen van Gods roeping en je overgeven aan zijn wil.6

Speelruimte

De frequentie waarmee bovenstaande eigenschappen werden genoemd in necrologieën, betekende niet dat iedere zendeling er zonder meer mee werd gememoreerd. Als men vond dat een medewerker een bepaalde eigenschap niet bezat, dan kon dat worden benoemd. Vaak werd er dan vermeld dat de zendeling wellicht niet zo open of pragmatisch was, maar dat hij toch belangrijk werk deed en een gewaardeerde collega was. Door te vermelden waarin de werker tekortschoot werd echter tegelijkertijd de norm benadrukt. Hoewel de beeldvorming rondom zendelingen dus als rigide kan worden betiteld, was er wel degelijk aandacht voor de individuen achter de als ideaal beschouwde zendingsidentiteit.

Deze speelruimte komt eveneens tot uiting in de veranderingen van het beeld van de zendeling door de jaren heen. Te midden van de stroom aan veranderingen in de koloniale samenleving, waar de zending in de jaren dertig en veertig vooral mee te maken had, werden ook de meningen over de centrale eigenschappen van zendingswerkers enigszins aangepast. 

Zo kon zendeling Barend Schuurman van Oost-Java, die overleed tijdens de Tweede Wereldoorlog, gememoreerd worden als iemand die niet per se voldeed aan het beeld van een pragmatisch en praktisch werker. Hoewel ook hier dus het ideaal werd aangehaald, was er in Schuurmans necrologie tevens ruimte voor bevraging van dit ideaal en de impliciete connecties met koloniale identiteitsnarratieven. Want juist Schuurman werd genoemd als iemand die de toekomstige veranderingen binnen het dekolonisatieproces zou kunnen opvangen, omdat zijn reflectieve aard zou passen bij die van ‘de Javaan’. 

In dezelfde periode kwam ook het beeld van zendelingen als werkers met een uitermate grote kennis van de bevolking, die niet alleen tússen, maar mét hen leefden, steeds explicieter naar voren. Eén van de gevolgen van deze tendens (hoewel er ook andere oorzaken aan te wijzen zijn) was de grotere waardering voor het vergaren van kennis op zich en niet alleen ten dienste van het zendelingschap. 

Sociale status

De representatie van missionaire mannelijkheid functioneerde eveneens als markering van status tussen verschillende zendingswerkers. Hoewel iedere zendeling in theorie geacht werd de combinatie van de hierboven genoemde eigenschappen te bezitten, werd dit voor andere groepen zendingswerkers slechts ten dele mogelijk en nastrevenswaardig gevonden. 

Vrouwelijke zendingswerkers werden bijvoorbeeld niet gememoreerd om hun directe toewijding aan de zending, maar om de toewijding aan hun man of aan de lokale bevolking. In plaats van ijver en doorzettingsvermogen stonden zorgzaamheid, begrip, barmhartigheid en opoffering van gezondheid en gezin centraal.7 Lokale zendingswerkers in het latere Indonesië werden wel geprezen om hun ijver en doorzettingsvermogen. Tegelijkertijd werd de beschrijving van hun zelfstandig handelen ingeperkt door narratieven over gehoorzaamheid aan de Nederlandse zendeling (en niet direct aan de zendingsorganisatie of God) en de noodzaak van begeleiding op het religieuze vlak. Ook voor mannelijke medische zendingswerkers was missionaire mannelijkheid niet volledig haalbaar, vooral omdat voor hen het narratief van barmhartigheid en toewijding aan de bevolking centraal stond, en niet de notie van het werktuig in Gods hand te zijn. 

Bekijken we de necrologieën van meer bekende zendelingen, zoals de Van Hasselts en Kamma van Papoea en de Kruyts en Schuurman van Oost-Java, dan zijn er twee manieren aan te wijzen waarop zendelingschap heroïsch werd: 

  1. eenzaam en heldhaftig pionierschap (vooral in de buitengewesten); 
  2. kennis van de bevolking (niet door een ‘van nature’ aanwezige aanleg, maar door actieve studie in de omstandigheden van de zendingspraktijk). 

Deze narratieven werden alleen toegedicht aan zendelingen die primair als evangelieverkondigers kwamen en niet aan andere zendingswerkers. Tegelijkertijd waren het deze twee aspecten die ook in de bredere Nederlands-koloniale samenleving (en later in het collectieve geheugen) status gaven.8

Hier zien we het belang van een aanwezige wisselwerking tussen (Nederlands-)koloniale, middenklasse en christelijke mannelijkheid. Zendelingen konden zich méér dan andere werkers onderscheiden op het vlak van mannelijkheid dat door de Nederlandse samenleving als nastrevenswaardig werden beschouwd. Tegelijkertijd werd dit ingezet ten dienste van christelijke waarden, die van groot belang waren in de zendingsgemeenschap. Ging het over succesvolle zendelingen, dan werden de narratieven vaak volledig geïntegreerd. In teksten over andere zendingswerkers of niet succesvol geachte zendelingen, werd er vaak één narratief benadrukt en werden de sociaal breder gedragen mannelijkheidsnarratieven niet toepasselijk geacht. 

Conclusie

In dit artikel heb ik kort weergegeven hoe zendelingen met mannelijkheid geassocieerd werden en worden. Deze associatie is deels een gevolg van aantallen: historisch gezien waren er meer (en lange tijd alleen maar) mannelijke zendelingen, die ook vaker gerepresenteerd werden in zendingsmedia. Maar er is meer aan de hand.

Goed zendelingschap hing vaak samen met de navigatie van wat ik in dit artikel ‘missionaire mannelijkheid’ noem. Dit was een configuratie van eigenschappen die samen de kern vormden van een abstract ideaalbeeld van een zendeling. Het bestond uit elementen die gerelateerd kunnen worden aan enerzijds koloniale en middenklasse masculiniteit en anderzijds aan christelijke narratieven. Deze configuratie was niet constant of eenduidig, ze kon veranderen naar gelang de historische omstandigheden en individuele medewerkers konden zich dit op verschillende wijzen toe-eigenen. 

Dat zien we terug in de biografische teksten waarin Nederlandse zendingshelden gememoreerd worden: zij voldeden overwegend aan het bestaande plaatje en verkregen status doordat hun individuele toe-eigening van karakteristieken paste binnen de specifieke situatie van hun plaats en hun tijd. Bovendien onderscheidden zij zich, volgens de aan hen gewijde teksten, op die aspecten van masculiniteit, die ook binnen de bredere Nederlands-koloniale samenleving status verschaften. Kortom: de maatstaven waarmee goed of uitmuntend zendelingschap gemeten werd en vervolgens aan het zendingspubliek werd doorgegeven, waren ingekaderd door specifiek missionaire en sociaal breder gedragen ideeën over mannelijkheid. 

In mijn promotieonderzoek analyseer ik de rol van ideeën over mannelijkheid wat betreft de biografische representatie van zendingsidentiteiten, tevens op de niveaus van socialisering en individuele identiteitsvorming. In hoeverre speelde het navigeren van narratieven rondom missionaire mannelijkheid en gender een rol bij het verkrijgen van vertrouwen van de directe collega’s en het zendingsbestuur? Hoe beïnvloedde dat de representatie in Nederlandse media? En welke andere factoren en identiteitsnarratieven zijn van belang in de beeld- en identiteitsvorming van en over zendingsmedewerkers?

Noten

1 Nauwkeuriger benoemd gaat het hier over de Samenwerkende Zendingscorporaties, en specifiek over het Nederlandsch Zendelinggenootschap op Oost-Java en de Utrechtsche Zendingsvereeniging op Papoea tussen circa 1900 en 1949.

2 Voor een overzicht van deze ontwikkeling: Patricia Grimshaw and Peter Sherlock, ‘Women and Cultural Exchanges’, in: Norman Etherington (red.), Missions and Empire, Oxford: Oxford University Press, 2005, 173-193.

3 O.a. Kristin Fjelde Tjelle, Missionary Masculinity, 1870-1930: The Norwegian Missionaries in South-East Africa, Basingstoke: Palgrave Macmillan, 2014; Erik Sidenvall, The making of manhood among Swedish missionaries in China and Mongolia, c.1890-c.1914, Leiden/Boston: Brill, 2009; Esme Cleall, ‘Missionaries, Masculinities and War: The London Missionary Society in Southern Africa, c.1860-1899’, South African Historical Journal 61.2 (2009), 232-253.

4 Zie noot 2 en Iris Busschers, Missionary Commemoration in a Colonial World: Collective Memory and Dutch colonial discourse on the Indonesian archipelago in obituaries of Calvinist missionary workers published between 1930 and 1951 (niet-gepubliceerde masterthesis: Rijksuniversiteit Groningen, 2011) voor een vergelijking tussen necrologieën van zendingsmedewerkers en koloniale bestuursambtenaren.

5 Met name Tjelle en Cleall (zie noot 2).

6 Voor de professionalisering van het NZG en de relatie met mannelijkheid: Rita Smith Kipp, ‘Why Can’t a Woman Be More Like a Man? Bureaucratic Contradictions in the Dutch Missionary Society’, in: Mary Taylor Huber and Nancy C. Lutkehaus (red.), Gendered Missions: Women and Men in Missionary Discourse and Practice, Ann Arbor, 1999, 145-177.

7 Voor een uitgebreidere analyse van de positie van zendingsvrouwen, zie: Iris Busschers, ‘Gendered Remembrance: Women in the Dutch Calvinist Mission and its Historiography, c.1900-1949’, Trajecta 24.2 (2015), 285-308.

8 Voor de relatie tussen mannelijkheid, culturele kennis en de Nederlandse koloniale samenleving, zie: Frances Gouda, ‘From emasculated subjects to virile citizens: nationalism and modern dress in Indonesian nationalism, 1900-1949’, in: Stefan Dudink e.a. (red.), Representing masculinity: male citizenship in modern Western culture, Basingstoke: Palgrave Macmillan, 2007, 235-257.

— Iris Busschers is promovenda aan de Faculteit Godgeleerdheid en Godsdienstwetenschap van de Rijksuniversiteit Groningen.