Onder de titel “Rente, broederschap en koninkrijk” schreef Ab Mol onderstaand artikel op LinkedIn. Met toestemming nemen we het over. Ter introductie schrijft Ab: “In mijn bediening en dagelijkse beslommeringen kom ik veel met onze arme medemens in aanraking en zie hoe enorm de druk van schulden mensen de hoek in kan drukken met alle gevolgen van dien. Vanuit die ervaring denk ik met dit artikel beknopt na over wat de Bijbel zegt over rente, broederschap en vertrouwen op God en leg en-passant uit waarom we met het microfinanciering project in Isaan (Thailand) kiezen voor rentevrije kredieten als noodhulp. Voor mij en de deelnemers is het een oefening in geloof, solidariteit en rentmeesterschap en een constant gevecht met mijn eigen Westerse reflexen en de vragen die ik vaak krijg.”
De Bijbel spreekt opvallend vaak over de armen. Wie het woord ‘arm’ of ‘armen’ opzoekt in de Bijbel, staat heel snel voor een overweldigend aantal teksten die het volgende getuigen: God vraagt rekenschap van Zijn volk voor de manier waarop het de kwetsbaren behandelt. Bezien in deze lijn is het project met microkredieten in Isaan een concrete uitwerking van het evangelie zelf en niet zozeer een sociaal project naast het evangelie. Voor iedereen die erbij betrokken is geldt dat het een oefening is in vertrouwen op God, solidariteit, en het samen leren over rentmeesterschap. Deze zaken vinden hun oorsprong in de Schrift en zijn gericht op de opbouw en het behoud van de christelijke gemeenschap.
De Bijbel over rente en armoede
De Bijbelse wetgeving plaatst het vragen van rente niet in de eerste plaats in een zakelijke context, maar in de wereld van de armen. Exodus 22:25-27 richt zich tot wie geld leent aan “iemand van Mijn volk, een van de armen onder u”. De Heere verbiedt daar om zich als een schuldeiser te gedragen en om rente op te leggen. Het voorbeeld van een kleed dat als onderpand wordt genomen is geen toeval. Het kleed is de enige bedekking van de arme en als de schuldeiser dat vasthoudt, ontneem je hem zijn laatste bescherming. God zegt hierover: “Wanneer hij tot Mij om hulp roept, zal het gebeuren dat Ik het zal horen, want Ik ben genadig!” We zien hier dat rentevrij lenen is verweven met Gods eigen genade. Dus wie rente vraagt aan een arme, plaatst zich in de positie van een harde eiser en wie rentevrij uitleent vertrouwt er in tegenstelling daarop dat God hoort en voorziet in wat nodig is.
Leviticus 25:35-37 werkt dit gegeven nader uit. Wanneer een broeder verarmt en zijn middelen ontoereikend worden, moet de gemeenschap hem ondersteunen, ook als het een vreemdeling of bijwoner betreft, ‘zodat hij bij u in leven blijft’. In dat kader wordt rente en winstneming verboden: ‘U mag uw geld niet met rente aan hem lenen en u mag uw voedsel niet tegen winst geven’. Het motief hier is theologisch van aard en heeft te maken met het vrezen van de Heere, gecombineerd met een gemeenschappelijk doel ‘zodat uw broeder bij u in leven kan blijven wonen’. Levenstijd is immers genadetijd.
Rente is als instrument ook niet neutraal. Het heeft namelijk de potentie om de broeder van wie we het vragen uit zijn bezittingen te ‘drukken’. Daarom mogen we zien dat rentevrij (uit)lenen zoals God dat hier bedoelt, de positie van de arme in het midden van het volk van God beschermt.
Deuteronomium 23:19-20 heeft in dit opzicht de scherpste formulering van het renteverbod: ‘U mag van uw broeder geen rente vragen: rente over geld, rente over voedsel of rente over enig ding waarover men rente betaalt. Van de buitenlander mag u rente vragen, maar van uw broeder mag u geen rente vragen, opdat de HEERE, uw God, u zegent in alles wat u ter hand neemt’. Deze tekst maakt onderscheid tussen broeder en buitenstaander. In Israël is in deze context de broeder zijn eigen volksgenoot, de ander die ook bij het verbondsvolk hoort. Laten we dit voor vandaag doortrekken naar de stelling dat christenen die onderling lenen dit rentevrij behoren te doen. Rentevrij lenen is een logisch gevolg van de realiteit dat wij één familie zijn.
Broeder zijn: een theologische categorie
We zijn er nog niet helemaal. Met name de profeet Ezechiël trekt deze lijn namelijk door in het verwoorden van Gods aanklacht tegen het onrecht wat Zijn volk op dit vlak wordt begaan. Ezechiël 18:8-9 noemt rente en winstneming als kenmerken van de onrechtvaardige. Hij beschrijft ook het tegenovergestelde over de rechtvaardige: ‘hij leent niet uit tegen rente en neemt geen winst’. Renteneming wordt in dit verband gezien als een teken van een hart dat niet buigt voor Gods recht en het afzien ervan als een daad van een rechtvaardige. In Ezechiël 22:12 gaat Ezechiël nog een stap verder als hij rente benoemt in een lijst van gruwelen die het land verontreinigen. Zo gelezen worden rente en winst wanneer het de armen betreft gezien als het vergeten van wie God en wie zijn naaste is. De welbekende eurotekentjes in onze ogen kunnen zorgen voor het vergeten van Gods geboden ten opzichte van onze naaste. Een gewaarschuwd mens telt voor twee.
Wie is mijn broeder? Die vraag is zo oud als Kaïn. Ik betoog dat de term ‘broeder’ in de voornoemde Bijbelpassages niet zomaar iets vaags en afstandelijks is voor ons vandaag. Er zijn kerken waar de term ‘broeder’ en ‘zuster’ een beetje naar de achtergrond is verdwenen. Dan hier maar gelijk een oproep om elkaar hartelijk als broeders en zusters te zien en aan te spreken. Het heeft namelijk de volgende implicaties:
In de Torah is de broeder hij die hoort tot hetzelfde verbondsvolk. In het Nieuwe Testament ondergaat die kring een transformatie: de broeder of zuster is hij of zij die in Christus is gedoopt en door één en dezelfde Geest wordt geleid. Wanneer wij zeggen dat de persoon die om een lening vraagt deel uitmaakt van Christus’ familie, en daarmee van uw familie, raken we de kern van de Bijbelse logica. Bijbelse logica is iets wat we in de kern van het individualistische Westen volledig zijn kwijtgeraakt wanneer het onze financiën betreft.
Rente vragen aan een broeder raakt dus aan de aard van de relatie. Het impliceert dat we tegen een broeder zeggen ‘jij bent voor mij een risico, geen familie’. Rentevrij uitlenen vraagt van christenen een andere toon: ‘Jij bent familie; wat jou overkomt, raakt mij en daar leef ik volledig met jou in mee’. Waarom lukt dat makkelijker bij iets verdrietigs als een plotseling overlijden en minder makkelijk in financiële problematiek?
Voor het microkrediet project wat we hier hebben opgezet verklaart dit gelijk waarom we wel gemakkelijk te halen voorwaarden stellen die Bijbels verantwoord zijn. Het project is in die zin niet naïef: Er zijn criteria, er wordt beoordeeld, overlegd en soms ook afgewezen. Maar voldoet men aan de voorwaarden, wordt niet geweigerd op grond van rendementsoverwegingen. Een gebalanceerde combinatie van ervaring, inzicht en risicobereidheid, gebaseerd op een theologisch onderbouwde overtuiging. Binnen de grenzen wijs bestuur wordt gekozen voor bewust investeren in de gemeenschap met het idee dat we graag willen dat ‘onze broeders bij ons blijven wonen’.
De visie van Calvijn
Calvijn heeft in de 16e eeuw een belangrijke verschuiving in het denken over rente teweeggebracht door te stellen dat het vragen van rente niet per definitie een zonde is, mits deze rechtvaardig en gematigd is. De kern van zijn argument bevindt zich op het snijvlak van woeker (excessieve, uitbuitende rente) en redelijke rente. Hij beroept zich daarbij op het principe van billijkheid naar Mattheüs 7:12: wat je zelf redelijk zou vinden, mag je ook vragen. Daarnaast betoogt Calvijn dat rente legitiem is als de lening de ander in staat stelt winst te maken (bijvoorbeeld bij een onderneming), en als het niet schadelijk is voor de broederlijke gemeenschap. Zijn accent ligt dus niet op een absoluut verbod. Wel wil hij dat we oprecht en billijk met onze naaste omgaan.
Vertrouwen in Gods voorzienigheid
Rente is in de Bijbelse context echter meer dan een economisch mechanisme. Vertrouw ik de ander? Of wantrouw ik hem? Als ik rente vraag van een broeder in nood, bouw ik zekerheid in door de ander extra te belasten. Ik betoog dat de wetgeving in Exodus en Leviticus relevant is voor vandaag om deze wereldse reflex te doorbreken. God zegt ‘Ik ben genadig’ en ‘opdat de HEERE uw God u zegene.’ We zouden kunnen zeggen dat rentevrij uitlenen van een christen aan een broeder hiermee een zichtbare daad van geloof is. Door zo te handelen zegt de christen dat hij erop vertrouwt dat God de gemeenschap wil dragen en onderhouden, ook als we geen rente-incasso en onderpanden als zekerheidsstelling hebben. Zodoende is rentevrij uitlenen een concrete geloofsoefening in de overtuiging dat God de armen niet vergeet en dat Hij de gemeenschap die voor de armen zorgt, niet in de steek laat.
Vanuit een koninkrijk perspectief is rente vragen aan een broeder een gebrek aan vertrouwen in de God die geeft en in stand houdt. Het microfinanciering project in Isaan kiest bewust voor een andere weg. Intrinsiek is in de projectbeschrijving opgenomen dat het verstrekken van kleine kredieten moet worden gezien als noodhulp in plaats van een zakelijke investering. We zien af van zakelijke doelen als winst, maximalisatie, onderpanden etc. en beschermen op deze wijze de plaats en positie van de broeder of zuster in de gemeenschap die bij Jezus hoort. We erkennen nuchter: wanneer we een arme door druk van schulden en rente uit onze gemeenschap drukken, is er iets fundamenteel mis met onze manier van omgaan met elkaar als broeders en zusters.
Socialisme?
Dit alles betekent niet dat het project socialistisch is of een socialistische grondslag heeft. Daarnaast is dit artikel zeker geen pleidooi voor een systeem waarin alles gelijkelijk wordt verdeeld ongeacht inzet, of waarin werken niet meer hoeft te lonen. De door Paulus uitgelegde Bijbelse visie is helder: Wie niet wil werken, zal ook niet eten. De Schrift prijst de vlijtige hand en waarschuwt tegen luiheid. Dit artikel is met name geschreven met een afkeer tegen uitbuiting. Werken moet lonen en een arbeider is zijn loon waard. Dit onderscheid is belangrijk. Socialisme zoekt gelijkheid door verdeling van bovenaf en de geschiedenis leert ons dat deze manier van gelijkheid proberen te creëren nergens heeft gewerkt. In de meeste gevallen werd het tegenovergestelde bereikt. Het Bijbelse model wat ik hier vandaag tegenover wil plaatsen helpt ons te zoeken naar gerechtigheid door verbondenheid te zoeken vanaf onderop. Het stellen van een aantal criteria eer dat men in aanmerking komt heeft mede hiermee te maken. We zoeken deelnemers die begrijpen dat wie werkt, daarvan mag leven en bij succes ook anderen mag helpen in het delen als rentmeester en in het ontwikkelen van een kleine onderneming. Het stelt mensen in staat weer op eigen benen te staan en bouwt eigenwaarde op. Laat ik het zo zeggen: Binnen dit project geven we mensen geen hangmat, maar materiaal en gereedschap om een brug te bouwen.
‘Hebben’ in het koninkrijk: van ‘ik’ naar ‘wij’
Een derde laag raakt de achtergrond van het woordje ‘hebben’ in het koninkrijk van God. De observatie die ik heb mogen doen in de afgelopen jaren is het volgende: een Westerse christelijke reflex kan zijn ‘ik ben gezegend, daarmee kan en mag ik anderen zegenen’. Hier heb ik een probleem mee: Het klinkt wel mooi, maar laat de ‘eigenaar’ van het geld volledige autonomie houden over zijn vermogen. Bijbelse nuchterheid in acht nemend zou ik willen voorstellen om bewust, hardop uit te spreken ‘ik heb niets, ik ben slechts rentmeester.’ Veel mensen zeggen en weten dat alles wat we ‘hebben’ toevertrouwd geld en goed is, maar leven alsof ze eigenaar met volledige autonomie zijn. Handelingen 2 is ons allen welbekend. De eerste christengemeente word hierin geportretteerd als een gemeenschap waar men alles gezamenlijk had. Zij verkochten hun bezittingen en deelden de opbrengst aan ieder naar zijn behoefte. Dat is een extreem lastig te begrijpen concept in onze context. Hoe kan je hier nu praktisch handen en voeten aan geven in onze Nederlandse praktijk in 2026? Het schuurt.
Het microkrediet project is in die zin een oefening in deze wijze van ‘koninkrijk economie’. Mensen vertrouwen ons project middelen toe, die we als goede rentmeesters mogen inzetten om de armen te helpen en de gemeenschap op te bouwen. Er moet dus een bepaalde mate van vertrouwen zijn tussen donateur en projectleider. Vanuit het idee ‘Wij beiden hebben niets, we zetten gezamenlijk slechts de door God aan ons toevertrouwde middelen in’.
Het motief hiervoor komt uit de eerdergenoemde passage in Leviticus 25:36 ‘Vreest uw God, zodat uw broeder bij u kan blijven wonen’. Rentevrij geld uitlenen is op deze wijze een middel om de broeder in de gemeenschap van de kerk te houden, in plaats van hen door druk en angst voor schuldeiser te verliezen.
Dit raakt wel een pijnplek in de westerse manier van denken. Het kan voorkomen dat donateurs tot op de laatste cent willen weten wat er met ‘hun’ geld gebeurt. Dat begrijp ik, maar het botst met de Bijbelse visie dat alles aan God toebehoort en dat wij slechts rentmeesters zijn. Het project in Isaan probeert daarom het idee van ‘wij hebben gezamenlijk – en zijn gezamenlijk rentmeester’ uit te leven en voor te leven aan deelnemers. Dat kan op weerstand stuiten omdat het de illusie van controle uitoefenen doorbreekt. In onze gemeenschap is het juist deze doorbraak die mensen leert vertrouwen op God en op de gemeenschap van God, zijn kinderen.
Ethische en praktische afwegingen
Het project wordt bewust verstaan als noodhulp. De Bijbelse rentewetten richten zich op bestaansleningen aan de armen, niet op commerciële kredieten aan handelaren. In onze context betekent dit dat microfinanciering fungeert als buffer tegen acute nood en minimaal levensonderhoud. Er zijn voorwaarden, er is toetsing, er is verslaglegging en verantwoording, maar we houden de drempel laag voor ieder die aan de voorwaarden voldoet. We houden het doel -gemeenschapsopbouw- in het oog, en waken ervoor te willen gaan voor ‘return on investment’. Er is namelijk een Bijbels spanningsveld omdat rente niet in alle gevallen is verboden. Wij blijven op het standpunt dat rente vragen van een broeder in nood onverenigbaar is met trouw zijn aan Gods opdrachten. Het microfinancieringsproject in deze vorm is dus het in praktijk brengen van een theologische overtuiging over hoe we als broeders en zusters met elkaar dienen om te gaan. Het oefent de hier ontstane geloofsgemeenschap in vertrouwen (zowel onderling als op God) en is een zichtbaar uitleven van solidariteit en rentmeesterschap en verzet zich op een praktische manier tegen een economie die armen uitbuit en reduceert tot risicoprofielen.
Conclusie
De naam die we het microfinanciering project hebben meegegeven leeft met het idee van ‘hart, hoofd en handen’. Alle drie zijn belangrijk voor zowel de uitlener als degene die leent. We behandelen de broeder liefdevol als familie, delen hoop omdat armen zien dat ze niet altijd arm hoeven te blijven en geloof omdat we vertrouwen dat God de gemeenschap draagt en dit ook uitspreken in alles wat we doen. We zijn zeker niet bezig met een socialistisch experiment en oefenen onszelf met vallen en opstaan in Bijbelse gerechtigheid. Het belangrijkste: We hebben een afkeer van het onrecht van wereldse uitbuiting en schulden opbouw met de druk die erop volgt voor mensen en hun families en willen met dit project ervoor zorgen dat onze ‘broeders bij ons blijven wonen’. We willen heel eenvoudig een kleine afspiegeling van het koninkrijk van God zijn, waar geld niet regeert maar dienend wordt ingezet tot opbouw van Gods koninkrijk. We hopen een omgeving te dienen waar ‘hebben’ niet betekent ‘bezitten’, maar ‘toevertrouwd krijgen’ om te bouwen aan Gods koninkrijk.
Dat deze manier van werken regelmatig stuit op weerstand of kritiek vanuit medechristenen geeft te denken en daar ligt een uitdaging voor zowel de criticaster als ondergetekende. We roepen elkaar op: Wees rentmeester, vreest uw God, zodat uw broeder bij u kan blijven wonen.
Ab Mol is als kerkplanter uitgezonden door de Christelijke Gereformeerde Kerken in samenwerking met OMF naar Isaan, Noordoost-Thailand.. Eerder verscheen van hem in TussenRuimte 2025-2: Microfinanciering als zendingsstrategie.

