‘Onze cel was een gebedskamer geworden’ 

Religieuze en spirituele kansen en kanten in de gevangenis

Leven in een gevangenis heeft invloed op het hele zijn van een persoon: op zijn zintuigen en ook op zijn geloofs- of zinsbeleving. Die invloed wordt mede bepaald door de begrenzingen en kansen ter plekke, zoals dit artikel wordt uitgelegd. Hoe verschillend de fysieke ruimte zijn uitwerking heeft op de persoonlijke spiritualiteit, wordt geïllustreerd in drie verhalen uit Indonesië, Nederland en Peru. 

INDONESIË
‘Onze cel was een gebedskamer geworden’

Voordat Yuvi opgepakt werd, ging ze één of twee keer per maand naar de kerk. “Ik ging af en toe naar de kerkdienst, maar verder was ik niet actief. Ik was namelijk een gescheiden vrouw en ik voelde me onwaardig om verder mee te doen in de kerk”, vertelt Yuvi. Toen ze in 2017 opgepakt werd, zat ze eerst drie dagen alleen in een aparte ruimte. Daarna werd ze naar een andere cel verplaatst. “Ik weet het nog goed. Het was precies tijdens de Ramadan (vastenmaand moslims). En echt heel apart, alle christenen van de gevangenis waren in één cel gezet. Dat gebeurde eigenlijk nooit, behalve in die periode dat ik in de gevangenis kwam. We zaten met zeventien vrouwen in een cel. En elke avond werd er gebeden.”

De vrouwen baden voor elkaar, voor hun rechtszaken, voor hun families, enz. En terwijl de moslims naar het verplichte gebed gingen, lazen Yuvi en haar celgenoten de Bijbel met elkaar en legden ze de Bijbelverzen aan elkaar uit. Op sommige momenten kwamen er zelfs niet-christenen langs bij hun cel. Zij vroegen ook om gebed, omdat ze ziek waren of voor hun proces. Yuvi: “Onze cel was een gebedskamer geworden. Op het dieptepunt van mijn leven was er steun door gebed. Juist in deze kleine ruimte voelden we Gods hulp. God heeft zoveel gedaan voor ons!” In de cel van een gevangenis voelde ze na acht jaar scheiding dat ze zichzelf mocht vergeven en dat God haar vergeven had.  

Er zijn weinig plekken waar ruimte zintuiglijk zo intens ervaren wordt als in een gevangenis. Hoewel gevangenisomstandigheden wereldwijd een grote variatie kennen, zijn er ook zaken die in de meeste gevangenissen terug te vinden zijn. Zo zijn er meestal hoge muren, gesloten deuren, tralies en prikkeldraad. Die beperken niet alleen de bewegingsvrijheid, maar ook het uitzicht en bepalen zo voor een groot deel wat men ziet. Het gedeelde verblijf in een gebouw of cel betekent dat geluiden onvermijdelijk gedeeld worden: geschreeuw, gebonk op deuren, voetstappen of dichtslaande deuren op een gang, getik op leidingen en gesnurk. Het delen van gesloten ruimtes met geringe ventilatie en gedeeld sanitair zorgt voor geur of stank. De inrichting van het gebouw met meestal weinig ‘zachte materialen’ en slechte klimaatbeheersing laten het lichaam vaak voelen dat men in een weinig comfortabele omgeving verblijft. En tenslotte zorgt de kwaliteit en de smaak van het eten dat ook de tong regelmatig negatief wordt ‘getest’. Kortom, in een gevangenis wordt ieder zintuig getart. Deze (zintuiglijke) context van een gevangenis heeft natuurlijk invloed op de uiting van geloofs- en zinbeleving. 

Geloofsbegrenzingen in detentie 

Naast het feit dat men zich moet realiseren dat een gevangenis een machtsorganisatie is waarin veel afhangt van personele goodwill kent de uiting van geloofs- of zinbeleving in een gevangeniscontext grofweg een drietal begrenzingen: 1- de juridische detentievoorwaarden, 2- de concrete detentieomstandigheden en 3- de feitelijke detentiepopulatie. 

De juridische detentieomstandigheden geven invulling aan het recht op godsdienstvrijheid in detentie. Afhankelijk van de situatie inzake erkenning van godsdienstvrijheid in een land kan dat wel of geen beperkingen opleveren voor een gelovige gedetineerde. Juridische voorwaarden kunnen ook betrekking hebben op maatregelen met betrekking tot veiligheid en orde in een gevangenis, waardoor beperkingen op religieuze uitingen of praktijken mogelijk zijn. Zo kunnen er beperkingen opgelegd zijn aan deelname of groepsgrootte bij vieringen. 

De concrete detentieomstandigheden leiden ook tot grenzen. Een oude gevangenis met een apart kerkgebouw biedt bijvoorbeeld andere mogelijkheden dan een multifunctionele ruimte die ook gebruikt wordt voor andere (dan) religieuze bijeenkomsten.  
De detentiepopulatie is in de meeste gevallen divers qua taal, cultuur en religie. Dat betekent dat de mogelijkheid tot geloofsuitingen afhankelijk is van machtsverhoudingen of geleefde tolerantie in een cel of op een afdeling.  

PERU
‘Ik geloof meer op mijn eigen manier’
Tweeëntwintig Nederlanders zaten er. Meestal gepakt met ‘iets’ in hun koffer. De gevangenis van Sarita Colonia lag dan ook vlak achter het vliegveld van Lima, Peru. Het kostte me drie dagen om ze allemaal te spreken. Maar ik deed het graag, want iedereen had weer z’n eigen (meer of minder) bewogen verhaal. Met één jongen ging het eigenlijk altijd goed. Hij had een lange straf gekregen, maar hij was nooit somber en altijd keurig gekleed. Zowel z’n kleding als de lach op z’n gezicht deden vermoeden dat daarachter emoties schuilgingen die niet naar buiten mochten komen. Daar kwam ik als buitenstaander natuurlijk niet bij. Of hij gelovig was? Ja, dat wel. Hij was katholiek opgevoed. Maar naar de kerk ging hij niet. “Hier in de gevangenis kan je naar de mis, óf naar de evangelische kerkdienst. Maar bij de pastoor val ik in slaap, en bij de evangelische dominee word ik gek van z’n geschreeuw. Ik geloof meer op mijn eigen manier, maar heel veel doe ik er niet aan.”

In de coronaperiode kon ik hem meer dan een jaar niet bezoeken. Toen ik hem na lange tijd weer opzocht, vroeg ik hoe het hem vergaan was en hoe hij zich in die tijd op de been had gehouden. Er gebeurde iets bijzonders, alsof het masker even afging. “Weet je,” zei hij, “ik wilde er nooit over vertellen. Maar ik ben veel geloviger dan jij denkt. Bijna al het geld dat ik krijg van mijn familie besteed ik aan het kopen van kaarsen. In mijn cel heb ik een plek gemaakt, waar ik iedere dag bid. Ik bid tot Judas Thaddeus (de beschermheilige van wanhopige gevallen), en tot San Martin de Porres en Santa Rosa de Lima (Peruaanse heiligen), want die zijn hier nu eenmaal dichtbij. Ik steek dan een kaars aan voor mijn moeder, voor mijn zoon, voor mijn familie. En voor mezelf – want de tijd duurt hier zo lang…”  

Met in achtneming van de genoemde begrenzingen biedt iedere ruimte in een gevangenis eigen religieuze of spirituele kansen/kanten, waarbij we ons hier beperken tot drie fysieke ruimtes: 1- (meerpersoons)cel, 2- kerk/stiltecentrum, en 3- luchtplaats. We laten hier de terreurvrije ruimte (A. Verheule) van het ‘veilige en heilige gesprek’ dus buiten beschouwing.  

De cel is de plek waar de gedetineerde de meeste tijd doorbrengt en kan daarom gezien worden als de feitelijke woonplek van de gedetineerde. Deze cel is in veel gevallen een ruimte die gedeeld moet worden. De (machts)verhoudingen tussen de celgenoten -gebaseerd op zaken zoals aantal, fysieke kracht, aanzien, geld of relaties- bepalen wat hier feitelijk kan, naast wat mag van de gevangenisautoriteiten. Zowel wederzijdse tolerantie als dwang tussen gedetineerden onderling kunnen voorkomen. Zo is bekend dat getalsmatige dominantie in combinatie met religieuze intolerantie kan leiden tot religieuze aanpassing (‘verbergen’, nalaten, zich bekeren), maar er zijn ook voorbeelden waarin celgenoten van verschillende religieuze achtergrond elkaar letterlijk de ruimte laten om religieuze uitingen een plek te geven in hun gedeelde cel. Persoonlijke ‘altaartjes’ zijn daar bekende voorbeelden van.  

Afhankelijk van de erkenning van de godsdienstvrijheid in een land kent iedere gevangenis wel een ruimte waar religieus gevierd kan worden. Dat kan variëren van een ruimte die expliciet is ingericht als kerk of moskee, via een multireligieus stiltecentrum tot een volkomen seculiere ruimte die liturgisch gebruikt wordt. Naast de ruimte zelf is hier van belang dat men dit samen met anderen doet: Het besef en de ervaring van gemeenschap in geloof zijn en dat gemeenschappelijke geloof met elkaar te delen in een en dezelfde ruimte is daarbij mogelijk nog belangrijker dan de aankleding van de ruimte zelf.   

De luchtplaats kan een spirituele plek zijn. Het is een plek waar men letterlijk en figuurlijk de hemelse ruimte kan waarnemen, de hemelse warmte of beregening kan ervaren en (Gods) wind kan voelen. 

De luchtplaats (what’s in a name?) is een plek waar conform regel 23 van de Mandela Rules van de VN iedere gedetineerde minimaal een uur per dag gebruik van mag maken. De luchtplaats kan een spirituele plek zijn. Het is een plek waar men letterlijk en figuurlijk de hemelse ruimte kan waarnemen, de hemelse warmte of beregening kan ervaren en (Gods) wind kan voelen. Het is daarmee een plek om het hier en nu te (kunnen) overstijgen en zich verbonden te weten en voelen met de grotere wereld en schepping. 

NEDERLAND
‘Dan voel ik dat ik nog leef’

Iedere dag gaat hij naar de luchtplaats. Weer of geen weer. “Zolang ik niet bedlegerig ben, ga ik”. Gevraagd naar het waarom, antwoordt hij: “Het is de enige plek waar ik vrijheid ervaar. En leven. Dat er meer is dan hierbinnen. Als ik buiten omhoogkijk zie ik geen muren, tralies of prikkeldraad. Dan voel ik de zon, wind, regen of kou… Dan voel ik dat ik nog leef. Hierbinnen is het bijna iedere dag hetzelfde. Buiten verandert het. Iedere dag is het anders. Zelfs al schijnt de zon of regent het dagenlang. Buiten is het altijd anders, in beweging. Vandaag komt een vogel over, morgen misschien zelfs een zwerm, en altijd veranderende wolken. Ik zie dan dat het leven en de tijd doorgaat, ook al lijkt mijn leven hier stil te staan. Buiten laat me zien dat dat niet zo is. Dat er meer is dan hier. Dat houdt me gaande, dat ik blijf geloven en hopen. Dat het doorgaat en dit niet het einde is”.