Ruimte in Christus 

Waar vindt ‘geloven’ eigenlijk plaats? In een kerk, een gemeenschap, een leven dat ruimte maakt voor God? Paulus gebruikt een merkwaardige formulering die de vraag omkeert. Hij spreekt steeds weer over mensen die ‘in Christus’ zijn. Blijkbaar is Christus niet alleen degene in wie we geloven, maar ook de ruimte waarin we leren leven. Wat betekent dat voor hoe we kijken naar kerk, gebouwen en missie? 

Kerken maken ruimte voor God. Soms heel letterlijk. We bouwen plekken waar gebeden, gezongen en gevierd kan worden. We richten een kerkzaal zo in dat er ruimte ontstaat voor stilte en ontmoeting, voor Woord en tafel. Maar ook daarbuiten gebruiken we graag ruimtelijke taal. We willen ruimte maken voor God in ons leven, ruimte bieden aan zoekers, present zijn in de buurt. 

Mooie taal. Toch vermoed ik dat Paulus andersom zou beginnen. Niet: wij maken ruimte voor Christus. Maar: Wij krijgen ruimte in Christus. 

‘In Christus’ – typisch zo’n formulering van Paulus waar je gemakkelijk overheen leest. Toch loont het de moeite erbij stil te staan. Er is ‘geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn’ zegt Paulus (Rom. 8:1). En ook: mensen zijn ‘één in Christus Jezus’ (Gal. 3:28). Of: wie ‘in Christus’ is, is een nieuwe schepping (2 Kor. 5:17). Christus is blijkbaar niet alleen iemand in wie je gelooft of die je probeert na te volgen. Hij is ook degene in wie de gelovige leeft. 

Om dit te begrijpen is het begrip ‘participatie’ behulpzaam: deel krijgen aan Christus zelf. De nieuwtestamenticus Michael Gorman, een belangrijke inspiratiebron voor dit artikel, laat zien hoe die participatie bij Paulus de vorm krijgt van kruis en opstanding. Wie ‘in Christus’ is, wordt opgenomen in zijn leven, zijn dood en opstanding. Chrisus’ verhaal is niet alleen een verhaal dat we geloven, maar een verhaal waarin we zelf betrokken raken. Met huid en haar. 

Een ruimte die we ontvangen 

Romeinen 6 spreek wat dat betreft boekdelen. Wie gedoopt wordt ‘in Christus Jezus’, stelt Paulus, deelt in zijn dood om met Hem een nieuw leven te leiden. Kruis en opstanding zijn dus niet alleen gebeurtenissen uit het verhaal van Jezus; ze worden het patroon van ons bestaan. ‘Christus leeft in mij’, schrijft Paulus elders (Gal. 2:20). Zijn verhaal gaat ons eigen leven stempelen. Dat is wat het betekent om ‘in Christus’ te zijn. 

Maar juist dat ‘in Christus’ maakt ook duidelijk dat dit nooit alleen iets tussen Christus en mij kan zijn. De ruimte waarin de ik als gelovige word opgenomen, blijkt al immers bewoond. In Christus ontmoet ik anderen die daar, net als ik, hun leven ontvangen. Die verbondenheid met Christus verbindt ons dus ook met elkaar. Ik krijg niet alleen een nieuwe verhouding tot God, maar word opgenomen in een gemeenschap die ik niet zelf heb samengesteld. In Christus ontvang ik broers en zussen die ik misschien nooit zelf zou hebben uitgekozen. 

De kerk maakt geen ruimte voor Christus; zij ontstaat doordat mensen samen ruimte krijgen ín Christus.

Toegepast op de kerk: De kerk maakt geen ruimte voor Christus; zij ontstaat doordat mensen samen ruimte krijgen ín Christus. Dat verandert hoe we naar elkaar kijken. De ander bevindt zich niet allereerst in míjn ruimte, waar ik bepaal hoeveel plaats hij of zij krijgt. Wij bevinden ons samen in een ruimte die geen van ons bezit. Christus ontvangt ons beiden. 

Dat schuurt met een kerk die gemakkelijk denkt in termen van ‘wij’ die ‘anderen’ welkom heten. Niet het welkom zelf is het probleem, maar wel de gedachte dat het onze ruimte is waarin wij anderen een plek geven. Gastvrijheid krijgt juist een andere kleur wanneer we beseffen dat we zelf ontvangen zijn. De ruimte die we delen, is ons eerst gegeven. 

Een kruisvormige ruimte 

Maar daarmee is nog niet alles gezegd. Want wie is eigenlijk de Christus in wie wij deze ruimte ontvangen?  

Voor Paulus is de opgestane Christus blijvend de gekrúisigde. Het kruis is niet een donkere episode die met Pasen achter Hem ligt. Het kruis vertelt wie Christus is. De Heer die leeft, is degene die zichzelf heeft gegeven. En daarin wordt zichtbaar wie God is: de God wiens macht de gestalte aanneemt van zelfgevende liefde. 

Daarom is de ruimte waarin wij worden opgenomen kruisvormig. Het kruis is bij Paulus niet alleen de bron van onze redding, maar ook de vorm van het leven dat daaruit ontstaat. Wie wordt opgenomen in Christus, wordt opgenomen in het leven van degene die zichzelf niet vasthield, maar zichzelf gaf. 

Dat wordt duidelijk in Filippenzen 2. Paulus roept de gemeente op niet alleen het eigen belang voor ogen te houden, maar ook dat van de ander. Vervolgens vertelt hij het verhaal van Christus. Hij klampte zich niet vast aan zijn positie, deed er afstand van, werd dienaar en vernederde zich tot de dood aan het kruis. 

Paulus wijst Christus hier dus niet alleen aan als een voorbeeld om na te volgen. De gemeente leeft ‘in Christus’ en deelt in zijn Geest. Juist vanuit die verbondenheid kan zijn manier van leven ook de hare worden. Het verhaal van Christus wordt het verhaal waarin zij leert leven. 

Zo wordt kruisvormigheid iets heel praktisch. Wie in Christus leeft, hoeft niet altijd zijn eigen plek, gelijk of belang te bewaken. Er komt ruimte om te luisteren, de ander voor te laten gaan en zelf een stap opzij te doen. Ruimte voor de ander ontstaat waar iemand niet alle ruimte voor zichzelf houdt. Niet omdat jezelf wegcijferen op zichzelf een christelijke deugd is, maar omdat de beweging van Christus een beweging naar de ander is. 

Wat voor ruimte ontstaat er rondom ons? 

Dit is in missionair opzicht van wezenlijk belang. Bij missie denken we al snel aan een beweging van binnen naar buiten. Eerst is er de kerk. Daar geloven, vieren we en worden we door het evangelie gevormd. Vervolgens openen we de deuren en gaan we ermee naar buiten. 

Bij Paulus zijn het geen twee stappen. Wie in Christus wordt opgenomen, wordt opgenomen in zijn lichaam. En dat lichaam leeft midden in de wereld. Als Christus’ verhaal het verhaal van die gemeenschap wordt, krijgt zijn zelfgevende liefde daar een zichtbare, sociale gestalte. De gemeente vertelt dan niet alleen wie Christus is. Zij wordt een plaats waar iets van zijn leven te zien en te ervaren is. 

Missie is daarom niet iets wat achteraf aan het leven in Christus wordt toegevoegd. Alsof we eerst een christelijke gemeenschap vormen en vervolgens bedenken hoe die ook nog missionair kan worden. Het leven in Christus zelf heeft een beweging naar de ander. 

Dat maakt de missionaire vraag verrassend eenvoudig en tegelijk uitermate confronterend. Niet alleen en niet allereerst: hoe krijgen we het evangelie bij mensen? Maar ook: wat voor ruimte ontstaat er rondom mensen die in Christus leven? 

Is er plaats voor iemand die gemakkelijk over het hoofd wordt gezien? Kun je er binnenkomen zonder eerst op de anderen te hoeven lijken? Kunnen mensen die tegenover elkaar staan weer bij elkaar aan tafel komen? Kunnen mensen die elkaar zelf waarschijnlijk nooit hadden uitgekozen, werkelijk samenleven? 

Het evangelie krijgt in de gemeente als het ware een adres. Het wordt niet alleen verkondigd, maar ook bewoonbaar: het krijgt vorm in de ruimte tussen mensen, aan tafel, in hoe geld wordt gedeeld, conflicten worden uitgevochten en verzoening wordt gezocht. De ruimte die de gemeente ’in Christus’ ontvangt, wordt zo zichtbaar in de manier waarop zij samenleeft. 

Dat maakt woorden niet minder belangrijk. Maar wat de kerk vertelt, krijgt zeggingskracht wanneer mensen iets van dat verhaal kunnen binnenstappen en ervaren. 

Waar Christus ruimte krijgt 

Daarmee zijn we terug bij het begin. Kerken en christelijke gemeenschappen zullen ruimte blijven maken: om te bidden en te vieren, elkaar te ontmoeten en anderen gastvrij te ontvangen. En terecht. 

Maar daar gaat iets aan vooraf. Wij beschikken niet over een ruimte waarin wij Christus uitnodigen; wij zijn zelf ontvangen in een werkelijkheid die ons voorafgaat: ‘in Christus’. En daar ontvangen we ook elkaar. 

De Christus in wie wij leven, is de Gekruisigde en Opgestane. Daarom draagt die ruimte de vorm van zijn leven: zelfovergave én nieuw leven, dienstbaarheid én hoop. 

Daar ligt een missionaire roeping voor de kerk in een samenleving waarin ruimte voortdurend bevochten wordt. Waar mensen hun positie, identiteit en belangen bewaken, kan juist een gemeenschap die ‘in Christus’ leeft zichtbaar maken dat het ook anders kan. Niet omdat zij geen overtuigingen heeft, maar omdat zij haar bestaan niet zelf hoeft veilig te stellen. Haar plaats is haar gegeven – ‘in Christus’. 

Daarom hoeft de kerk niet steeds meer ruimte voor zichzelf op te eisen – zelfs niet om ruimte voor Christus te maken. Haar roeping is misschien precies andersom: zo leren wonen in Christus dat rondom haar ruimte ontstaat voor de ander. De kerk maakt geen ruimte voor Christus. Zij krijgt ruimte ‘in Christus’. En waar zij in Hem woont, krijgt Christus ruimte in de wereld.