1. Inleiding
Soms, tijdens de tarawih-gebeden in de ramadan of tijdens het feestgebed van Idul Fitri (Suikerfeest), ga ik op de weg voor mijn huis staan. Dan hoor ik de geluiden van alle moskeeën waar op dat moment wordt gebeden. Het lijkt alsof ze elkaar beantwoorden, omdat ze allemaal hun luidsprekers op een behoorlijk hoog volume gebruiken. Iedere moskee gebruikt drie tot vier luidsprekers bovenop de minaret. De gebeden, de preek, alles wordt versterkt.
Wat is de relatie tussen religieuze geluiden en tolerantie in de openbare ruimte van de pluriforme Indonesische samenleving? Aan de hand van persoonlijke ervaringen over verschillende regio’s van Indonesië en mijn reflecties hierop kom ik op een aantal lessen voor de gedeelde ruimte die de samenleving is.
2. Ervaringen uit drie gebieden
A. Gorontalo
Ik ben geboren en opgegroeid in Gorontalo (1961–1987). In die tijd maakte Gorontalo nog deel uit van de provincie Noord-Sulawesi. De meerderheid van de bevolking van Gorontalo was moslim, zowel de oorspronkelijke bevolking als mensen van Arabische afkomst. Er woonden ook veel Chinezen, die over het algemeen het boeddhisme aanhingen.
Mijn familie woont al lange tijd in Gorontalo, sinds de tijd van mijn opa en oma van moederskant. Zij kwamen uit Minahasa en hadden zich in Gorontalo gevestigd en waren ongetwijfeld of protestants of katholiek. Daarnaast woonden er ook mensen uit verschillende andere bevolkingsgroepen. Moslims vormden de meerderheid, terwijl christenen en boeddhisten minderheden waren. Ook waren er enkele hindoes.
Ons huis stond in het centrum van Gorontalo. Er bevonden zich in de directe omgeving niet alleen twee moskeeën, maar ook een kerk. Iedere zondag luidden de kerkklokken drie keer. Daarmee werden de christenen in de omgeving eraan herinnerd: ‘Het is zondag, de dag om naar de kerk te gaan en God te aanbidden.’ De kerkklokken luidden ook wanneer een lid van de gemeente was overleden. Gewoonlijk werden de klokken dan enkele keren geluid, in een langzamer tempo dan gebruikelijk.
Ook het geluid van de oproep tot gebed, de azan, was regelmatig te horen. Vooral op vrijdag tijdens het vrijdaggebed en op de vijf dagelijkse gebedstijden.Tijdens het Suikerfeest, Idul Fitri, vertrokken de mensen uit verschillende wijken rond ons huis doorgaans al om zes uur ’s ochtends te voet naar het Teruna-plein. Daar verrichtten zij gezamenlijk het Ied-gebed, samen met inwoners uit andere wijken. Terwijl zij wachtten tot het gebed begon, klonk het takbir-lofprijzing. Dit ging door tot het moment van het gebed en de preek.
Na afloop van het gebed schudden de mensen elkaar de hand. Sommigen gingen ook langs bij de huizen van families die zij onderweg passeerden om hun gelukwensen over te brengen. Dat gebeurde ook bij mensen die geen moslim waren, onder wie mijn familie. Bovendien ging buren bij elkaar op bezoek om de onderlinge banden aan te halen. Deze bezoeken gingen vaak door tot in de late avond.
Ook met mijn Chinese vrienden maakte ik zulke ervaringen mee. In die tijd werd hun religieuze traditie vaak aangeduid als het boeddhisme van de Tri Dharma. Wanneer het Chinese Nieuwjaar, Imlek, naderde, heerste er in heel Gorontalo een bijzonder levendige sfeer. Er waren overal geluiden; het was soms behoorlijk luidruchtig, maar tegelijkertijd bijzonder feestelijk en vreugdevol, ook al begreep ik niet precies wat al die geluiden betekenden.
In die tijd herinnerden de geluiden van de beduk (de grote trom die traditioneel wordt gebruikt om gebedstijden aan te kondigen) en de azan vanuit de moskeeën, evenals de kerkklokken, mij als kind aan iets eenvoudigs maar betekenisvols: ‘Nu is het tijd voor hen of voor ons om te bidden.’ Het samenleven met mensen van andere religies begon voor mij dus toen al. Mijn schoolvrienden en buren waren overwegend moslim en boeddhist. Tijdens mijn jaren in Gorontalo leerde ik van deze drie religieuze gemeenschappen de betekenis van onderling respect.
B. Tomohon
Tomohon is een kleine stad die bekendstaat als het centrum van het christendom in Minahasa, Noord-Sulawesi. Ik studeerde vier jaar aan de theologische faculteit van UKIT, van 1980 tot 1984, en woonde in een studenteninternaat op de campus in Kakaskasen.Omdat de meeste inwoners christen waren — voornamelijk protestanten, daarnaast katholieken— waren er overal kerken. Er waren protestantse kerken van de GMIM, katholieke kerken, pinksterkerken en zevendedagsadventisten. Er woonden ook enkele moslims en mensen met andere religieuze achtergronden.
De ‘religieuze geluiden’ klonken hier anders dan ik in Gorontalo gewend was. Daar hoorde ik immers duidelijk de kerkklokken, omdat ons huis vlak bij een kerk stond. Waarom was dat in Tomohon anders? Onze gebedsruimte was een auditorium op de de Heuvel van Inspiratie. Daar waren geen kerkklokken. Hoewel de kerken in de omliggende wijken iedere zondag hun klokken luidden, hoorde ik die niet. De reden was eenvoudig: er werden geen luidsprekers gebruikt. Het geluid van de kerkklokken was uitsluitend bedoeld voor de mensen in de directe omgeving van de betreffende kerk.
Tegenwoordig is dit anders. Kerkmuziek, gebeden en preken worden nu via luidsprekers naar buiten verspreid. Sinds wanneer dit gebeurt en waarom, zou interessant zijn om nader te onderzoeken. Dit betekent dat er geen verschil is met wat er in de moskeeën gebeurt, ook die in Tomohon, waar tegenwoordig verschillende moskeeën staan. Op andere plaatsen in Indonesië (bijvoorbeeld op Papoea en Ambon) gebeurt iets soortgelijks: de traditie van luidsprekers om religieuze vieringen naar buiten toe te versterken. Ik heb ooit spontaan aan christenen gevraagd waarom dit gebeurde. Waarom is dit tegenwoordig de gang van zaken? Het antwoord dat ik kreeg, maakte mij verdrietig: ‘Als zij het kunnen, waarom wij dan niet?’ Daarmee bedoelden zij: als moslims luidsprekers kunnen gebruiken, waarom zouden christenen dat dan niet kunnen?
‘Als zij het kunnen, waarom wij dan niet?’ – als moslims luidsprekers kunnen gebruiken, waarom zouden christenen dat dan niet kunnen?
C. Yogyakarta
Yogyakarta staat bekend als stad van cultuur, onderwijs en toerisme. De samenleving is er zeer divers, zowel cultureel als religieus. Dat komt onder meer doordat veel scholieren en studenten uit verschillende delen van Indonesië naar Yogyakarta komen om er onderwijs te volgen. Zij bezoeken middelbare scholen, beroepsopleidingen en universiteiten. De meeste inwoners zijn Javanen. Een kleiner deel bestaat uit mensen uit andere delen van Indonesië die zich in Yogyakarta hebben gevestigd. De meerderheid van de bevolking is moslim (93%). Overal zijn musala’s (kleine gebedsruimten) en moskeeën te vinden, van verschillende stromingen. Iets meer dan 4% is rooms-katholiek en bijna 2,5% protestant. Verder zijn er kleine groepen hindoes, boeddhisten en confucianisten. Daarnaast zijn er inwoners die inheemse religies en lokale geloofstradities volgen, zoals Sapta Dharma, Sedhulur Sikep en Pangestu.
Sinds 1993 woon ik permanent in Yogyakarta. Ik werk bij het Instituut voor Interreligieuze Dialoog in Indonesië (Institut DIAN), ook bekend als Interfidei. Mijn leven in Yogyakarta heeft mij niet alleen meer verrijkt met de diversiteit aan religies en geloofsovertuigingen, maar heeft mij ook steeds duidelijker laten ervaren hoe mensen dagelijks samenleven te midden van die diversiteit. Religieuze en levensbeschouwelijke pluraliteit is hier geen abstract begrip, maar een concrete werkelijkheid die iedere dag opnieuw wordt beleefd.

Foto: moskee in Yogyakarta, in typisch Javaanse stijl (Pixabay Mike Panton)
Ook in de wijk waar ik woon, staan er verschillende musala’s en moskeeën; alleen al in de directe omgeving zijn het er vijf. Niet al deze moskeeën zijn met hun luidsprekers op ons huis gericht. Het geluid van twee of drie moskeeën bereikt ons huis echter duidelijk, omdat hun luidsprekers in westelijke, zuidelijke of noordelijke richting zijn gericht. Eén moskee staat op slechts 250 meter van mijn huis. Daardoor kan ik de gebeden vanuit huis goed horen, vooral het ochtendgebed (subuh), het avondgebed (maghrib) en het vrijdaggebed. Ook de preken zijn goed hoorbaar.
De vraag die zich vervolgens aandient, is: hoe zit het met de andere religies, zoals het christendom — zowel het katholicisme als het protestantisme —, het confucianisme, het boeddhisme, het hindoeïsme en de lokale religies en geloofsovertuigingen? Op basis van mijn waarnemingen door de jaren heen kan ik zeggen dat deze religieuze gemeenschappen hun gebedsdiensten doorgaans niet met luidsprekers of megafoons naar buiten toe versterken. Hun religieuze vieringen zijn daardoor in de praktijk niet of nauwelijks hoorbaar in de openbare ruimte. Het is mogelijk dat sommige kerken een muziekband gebruiken tijdens hun diensten in een ruimte van een winkelcentrum. In dat geval kunnen de geluiden hoorbaar zijn voor mensen die langs die ruimte lopen.
Uit mijn eigen ervaring met onze kerk, de GPIB, en met katholieke kerken waarvan ik diensten heb bijgewoond, weet ik dat het geluid van de kerkklokken meestal niet verder reikt dan de directe omgeving van het kerkgebouw, laat staan dat preken en liederen via luidsprekers worden verspreid. Dit geldt des te meer voor andere religieuze gemeenschappen, zoals hindoes, boeddhisten, confucianisten, bahá’ís en aanhangers van Sapta Dharma.
Toch vind ik het interessant dat in zowel Gorontalo, Tomohon als Yogyakarta niet alleen de religieuze meerderheid ruimte krijgt om haar vreugde te uiten wanneer een religieuze feestdag aanbreekt. Ook andere religieuze gemeenschappen krijgen ruimte en gelegenheid om hun feestdagen te vieren en hun vreugde tot uitdrukking te brengen (behalve lokale religies en geloofstradities), zij het niet door middel van geluid. Zij doen dit bijvoorbeeld door straten in woonwijken en stadscentra te versieren met religieuze of culturele symbolen. Zo verschijnen er in de aanloop naar december overal kerstbomen en kerstverlichting, zowel in winkelgebieden als langs de straten. Tijdens het Chinese Nieuwjaar, Imlek, zijn er kleurrijke lampionnen te zien, vooral rode, die een bijzondere symbolische betekenis hebben.
De openbare ruimte in Indonesië is geen ruimte die vrij is van religie. Het is een gedeelde ruimte (shared space), waarin verschillende geloofsuitingen elkaar ontmoeten.
3. Wat kunnen we hiervan leren?
Voor mij weerspiegelen de betekenis van religieuze geluiden — zoals de azan, kerkklokken, islamitisch lofgezang, christelijke liederen en religieuze mantra’s — en de tolerantie in de openbare ruimte in Indonesië de identiteit van een pluriforme samenleving. Tegelijkertijd vormen zij een test voor de volwassenheid in burgerschap. De openbare ruimte in Indonesië is geen ruimte die vrij is van religie. Het is een gedeelde ruimte (shared space), waarin verschillende geloofsuitingen elkaar ontmoeten.
De relatie tussen religieuze geluiden en tolerantie in de openbare ruimte van de pluriforme Indonesische samenleving heeft verschillende betekenissen:
a. Als akoestiek van de diversiteit en symbool van gezamenlijk aanwezig zijn
In Indonesië zijn religieuze geluiden in de openbare ruimte niet slechts signalen die aangeven wanneer het tijd is om te bidden. Samen vormen zij een klankruimte die de diversiteit van de samenleving weerspiegelt. Niet overal en niet op ieder moment klinken deze geluiden als een orkest. Tijdens een kerkelijke bijeenkomst thuis of in de kerk wordt het geluid van de gezinsviering of de kerkdienst zachter gezet of zelfs tijdelijk stopgezet als het gebouw zich in de buurt van de moskee bevindt. Dit uit respect voor de oproep tot gebed, die binnen de islam een belangrijke betekenis heeft. Andersom gebeurt het ook: drie avonden lang vervalt de laatste oproep tot gebed in een bepaalde musala, omdat de tegenoverbuur drie kerkelijke troostdiensten aan huis houdt in verband met het overlijden van een gezinslid. Deze geluiden kunnen daarom worden opgevat als een erkenning van het bestaan van medeburgers die, net als wijzelf, het recht hebben hun geloof en overtuiging tot uitdrukking te brengen.
b. Een toets van verdraagzaamheid en zelfbeheersing: meerderheid en minderheid
Voor de Indonesische samenleving is het omgaan met religieuze geluiden in de openbare ruimte een concrete vorm van het in praktijk brengen van tolerantie. Het Indonesische ministerie van Religieuze Zaken benadrukt dat werkelijke tolerantie ruimte in het hart vraagt, evenals de bereidheid om de openbare ruimte met anderen te delen.
- Voor de meerderheid: het is belangrijk de neiging om de eigen religieuze expressie te laten overheersen onder controle te houden. Bijvoorbeeld door het volume van luidsprekers zo te regelen dat het geluid zijn waardigheid behoudt en het comfort van anderen niet verstoort.
- Voor de minderheid: de sociale volwassenheid is van belang waarin de culturele en religieuze uitingen van mensen in de eigen omgeving wordt begrepen en gerespecteerd.
c. De grenzen tussen mensenrechten en het algemeen belang
De openbare ruimte kent beperkingen wat betreft ruimte en zintuigelijk comfort. Daarom betekent tolerantie hier meer dan alleen ‘verschillen toestaan’. Het gaat ook om rechtvaardigheid in het openbaar beleid. Regelgeving, zoals richtlijnen voor het gebruik van luidsprekers in moskeeën en musala’s, is niet bedoeld om religieuze symboliek te beperken. Het doel is ervoor te zorgen dat de gedeelde ruimte inclusief en toegankelijk blijft en dat sociale conflicten als gevolg van geluidsoverlast of eenzijdige dominantie worden voorkomen.
Dergelijke situaties kunnen ontstaan doordat moskeeën en musala’s dicht bij elkaar staan en allemaal luidsprekers boven op hun minaretten hebben geplaatst. Op bepaalde momenten klinken al deze luidsprekers tegelijkertijd. Ook preken kunnen dan door elkaar heen klinken, alsof de verschillende moskeeën op elkaar reageren. Dat kan vreemd overkomen en als storend worden ervaren.
d. Een verschuiving naar sociale ethiek
Religieuze geluiden in de openbare ruimte hebben een positieve betekenis wanneer zij samengaan met een versterking van de sociale ethiek. Wanneer religieuze geluiden en symbolen steeds nadrukkelijker aanwezig zijn in de openbare ruimte, zou dit hand in hand moeten gaan met meer empathie, beschaving en sociale betrokkenheid tussen buren met verschillende geloofsovertuigingen.
Idealiter herinneren religieuze geluiden iedere gelovige aan de morele opdracht om goed te handelen tegenover andere mensen en de natuurlijke wereld om ons heen. Dat betekent: eerlijkheid, zorg, waarachtigheid, rechtvaardigheid, vrede bevorderen, vanuit een levenshouding die elkaars leven versterkt. Religie mag niet slechts een identiteit zijn die op een agressieve, nadrukkelijke en luidruchtige manier wordt getoond en ten gehore gebracht. Zij zou juist betekenis moeten hebben voor het samen leven: in de relaties tussen mensen onderling, tussen mensen en de natuurlijke wereld en tussen mensen en de Schepper.
4. Slotbeschouwing
Alles bij elkaar genomen ligt de betekenis van de religieuze geluiden en tolerantie in de publieke ruimte van Indonesië in de kunst van het behouden van harmonie door middel van voortdurende culturele onderhandelingen. Hoe aan verschillen in het leven en het samenleven betekenis wordt gegeven, onder andere via de religieuze geluiden, leert ons dat spirituele vroomheid altijd hand in hand moet gaan met sociale vroomheid: wederzijds respect, wederzijdse eerbied en onbaatzuchtigheid in de manier waarop het geloof wordt beleefd. Dit alles met het oog op het realiseren van een vreedzame Indonesische samenleving.
A. Elga J. Sarapung (op de titelfoto) is sinds 1986 predikant van de Protestantse Kerk van Indonesië in Gorontalo (GPIG). Zij was eerder studentenpredikant aan de Rijksuniversiteit Groningen via het Studentenpastoraat Groningen. Momenteel is zij directeur van het Institut DIAN/Interfidei, Yogyakarta, voorzitter van het Asia Pacific Women of Faith Network (APWoFN), ACRP, en werkzaam bij de GPIB gemeente ‘Marga Mulya’ in Yogyakarta.
Dit artikel is vertaald door Henriëtte Nieuwenhuis, redactielid van TussenRuimte.

