In dit essay zal ik de vraag stellen wat de betekenis is van een lege kerk. De vraag is actueel: secularisatie is een bekend verschijnsel in de westerse welvaartsstaten. Kerken staan leeg; de wekelijkse kerkdienst trekt steeds minder bezoekers. Dat is voor velen verontrustend; tegelijkertijd stelt het ook missionaire vragen en stelt de vraag naar de plaats van de kerk in de cultuur. Ik stel echter dat deze leegte een eigen waarde heeft, die te maken heeft met de symbolische relatie van de kerk (en het kerkgebouw) met de wereld in het algemeen.
Eerst zal ik het bestaan van zo’n relatie uiteenzetten, vervolgens zal ik kort ingaan op theologische en historische discussies over de inhoud ervan, en ten slotte zal ik met behulp van filosofische en theologische inzichten laten zien dat de toestand van de wereld zodanig is dat een lege kerk daarbij past. Hiermee ga ik via een andere invalshoek dan gebruikelijk in op de betekenis en waarde van kerkgebouwen, hun architectuur en de interpretatie ervan in de 21e eeuw.
Kerk als symbool
De symbolische waarde van kerken is groot, oud en algemeen erkend; ze reiken omhoog en weerspiegelen nog hogere vormen, vormen die buiten het bereik van ogen, woorden en kennis in het algemeen liggen. Alles, van de ligging – hoog – tot de daken – hoog – en de kunst – hoge kunst – is erop gericht betekenis te volgen. Plaatsen waar onverschilligheid minder de overhand heeft, zijn zeldzaam. Kerkgebouwen zijn vol, vol van betekenis.
De vraag is echter waar een kerkgebouw het symbool van is en om wat voor symboliek het gaat, om wat voor metaforen ook. Dit is van belang omdat mensen geneigd zijn om zelfs metaforen letterlijk te nemen. Dit geldt voor taal, want taal is weliswaar fundamenteel metaforisch, woorden moeten wel ergens aan de werkelijkheid raken. En in de kunst gaan we er ook vaak van uit dat er een overeenkomst tussen het uiterlijk en het innerlijk is, dat het uiterlijk het innerlijk weerspiegelt.
Zulk letterlijk denken over metaforen en symbolen kan ook in de kerk een rol spelen en tot misverstanden leiden. Een mooi voorbeeld is dat van de heilige Franciscus van Assisi die toen hij een stem uit het kruisbeeld hoorde die hem opdroeg te gaan en Gods vervallen huis te herstellen, aan de slag ging met een door vocht aangetaste hoek achter het altaar. Terwijl de bedoeling was dat hij de kerk als gemeenschap een nieuwe impuls zou geven. Vaak geldt: de kerk heeft regels, je moet zeggen wat je bedoelt. Alles mag gezegd worden, zolang de schapen zich maar in schapenvacht hullen en de wolven in wolvenvacht.
Iets soortgelijks lijkt aan de hand te zijn bij de omgang met kerkgebouwen; ze zijn gebouwd om vol te zijn, in ieder geval vol van betekenis. En dat neemt de kerk letterlijk: geestelijken en voorgangers hebben dit zo geleerd en ze herhalen het. Gebouwen moeten, omwille van de missie van de kerken, vol zijn. Een lage opkomst is bedreigend voor aanbieders van religieuze diensten. Er zijn daarom programma’s om mensen te bereiken en onderzoeken om aan te tonen welke strategieën mensen betrokken houden. Ik beweer niet dat er sprake is van hebzucht, maar wel van een gebrek aan verbeeldingskracht en een gedachteloos, tam toegeven aan de logica van nut en winst die de moderne samenleving beheersen, een te letterlijke opvatting ook van wat kerkgebouwen zijn en waar ze voor zijn.
Ik vraag je dit paradigma te vergeten, en even stil te staan bij, of zelfs in een lege kerk. Sta stil bij de echo. Sta stil bij de kerk die ’s nachts rust. De symmetrie die heerst onder het hoge plafond: God is er niet, en de mens evenmin. God komt niet langs voor zijn nachtelijke ronde, om zijn huis te controleren zoals een bebaarde bewaker dat zou doen.
Memoires en Werner Herzog
Om de betekenis van zo’n lege kerk op het spoor te komen is een uitstap naar een film behulpzaam, namelijk Werner Herzogs film Fitzcarraldo uit 1982. Het vertelt het verhaal van een avonturier die een operahuis in een Peruaans stadje wil bouwen. Om hiervoor het geld te verdienen begeeft hij zich in de rubberhandel, koopt een schip om rubber uit de binnenlanden te transporteren, maar om bij de juiste rivier te komen moet het schip wel eerst een berg over gesleept worden. De heroïsche onderneming lukt met de grootste moeite maar het plan mislukt commercieel toch. Het schip gaat terug naar het Peruaanse stadje en de hoofdpersoon, Fitzcarraldo, bestelt met zijn laatste geld nog wel een operagezelschap dat, bij gebrek aan operahuis, de opera op het schip opvoert. Het lijkt een tragisch einde maar dat is niet alles. Hoewel het schip verkocht wordt en de opera weer verstomt in het regenwoud, blijft de herinnering. Het schip zelf wordt de drager van de herinnering, de memoires, van dit fantastische avontuur en er ook het symbool van, wat er verder ook mee gedaan wordt. Misschien is het schip vanwege de herinnering aan dit absurdistische avontuur zelfs wel een dieper symbool van de betekenis en kracht van kunst dan een alledaagse operavoorstelling in een grote stad: het houdt immers zicht op het onmogelijke dat even mogelijk was, zonder het vast te leggen.
Bij dit verhaal hoort nog een verdere laag want de film en het schip zijn zelf ook symbool geworden voor de maker van de film. Werner Herzog vertelde met zijn film namelijk niet alleen een fantastisch verhaal, hij maakte de film ook op een nogal fantastische manier. Hij wilde namelijk geen special effects en sleepte dus letterlijk een schip een berg over om het te kunnen filmen. Daarbij was de acteur die de hoofdpersoon speelde zo onmogelijk in de omgang dat bewoners van het Amazonegebied die bijrollen speelden Herzog aanboden om hem maar om te brengen. Regisseur Herzog moest dit vriendelijke aanbod beleefd afwijzen. Toen de film eindelijk klaar was, was de film zelf ook meer dan een film geworden, het was het symbool, de memoires, van zijn maker en het maakproces geworden. De film was letterlijk ook de film van zijn regisseur en van wat er in zijn werk onmogelijk leek, even mogelijk werd, en daarna weer verdween: alleen de film bleef.
De overgang van de ‘eigenlijke gebeurtenis’, van het maakproces van de film naar de film, van de operavoorstelling naar de herinnering ervan, gedragen door het schip, kan helpen de lege kerk in de 21ste eeuw te duiden. Want het is goed mogelijk om de kerk zelf ook als zo een symbool, zo een mémoire, te zien. Iedere kerk herinnert aan andere kerken en ook aan de Kerk als Lichaam van Christus (vanaf nu geef ik het verschil tussen de ene en de andere vorm van k/Kerk aan door een onderscheid in hoofdletters), terwijl het ook een symbool van de wereld is en vooral van hoe je de wereld ziet. In wat volgt zal ik betogen dat de leegte van de kerk, de afwezigheid van God en mensen ook een echo van iets is en dat dit past bij een bepaalde ervaring van de wereld (en van geloof). Ik behandel daarvoor een vroegkerkelijke theoloog en ga in op theologische ontwikkelingen in de 20e eeuw.
De theologie van Maximos de Belijder
Om deze boodschap, die tot nu toe nogal abstract en eerder artistiek dan theologisch was, te verduidelijken, zal ik kort twee standpunten over kerken (en de Kerk) en hun betekenis toelichten, waarbij ik uitga van een klassieke visie op de kerk en deze vervolgens herinterpreteer aan de hand van existentialistische filosofie en theologische inzichten van Karl Barth.
De theologie van een lege kerk doet in zekere zin precies wat Maximos de Belijder, een theoloog vooral actief in de 7e eeuw, op een veel assertievere en meer kerkvaderlijke manier, deed: het interpreteert het gebouw en de gemeenschap erin in relatie tot God en de wereld. Voor Maximos is de kerk een icoon (en dus ook een symbool!) van elk van de niveaus van de werkelijkheid – van God, de wereld en de mens, in hun geestelijke en lichamelijke gestalten. De kerk leent zich er in zijn denken moeiteloos voor om als een allesomvattend beeld voor deze samenhangen te dienen. De kerk is, ook als gebouw, icoon van God, van de wereld en ook van de mens. De icoon verbindt het lichamelijke en het geestelijke en bemiddelt deelname aan de beweging van de verlossing, het opstijgen van de ziel, zelfs van de gehele werkelijkheid, naar God. Participatie in het lichamelijke leven van de kerk, door een gebouw binnen te gaan, bijvoorbeeld, is zo nauw verbonden met de geestelijke opgang tot God. De kerk is in het denken van Maximos zo een scharnierpunt tussen God en mens, waarbij de mens en zelfs de gehele wereld zijn eigenlijke bestaan in God vindt. Echter, deze voor Maximos vanzelfsprekende verbindingen zijn in de loop van de tijd een stuk minder vanzelfsprekend geworden. En dat heeft er alles mee te maken dat we ook anders naar de wereld zijn gaan kijken dan hij deed.
Kerk in een andere wereld
Wanneer wij moderne mensen naar de sterren kijken, zien we koude, verre zonnen; Maximos keek naar dezelfde sterren en zag Orion en Cassiopeia. Onze kijk op de wereld is veranderd. Dit heeft veel te maken met de nihilistische vernietigingsdrang, de anarchistische desintegratie van een samenhangende, veilige, vaste werkelijkheid die vanaf de 19e eeuw op gang kwam. Deze werd nog versterkt door de maatschappelijke verwarring en schaamte na de Wereldoorlogen en het hiermee samenhangende verval van het imperium van de rede en de traditie van de continentale (morele) filosofie. Dit alles heeft stabiele beelden van de werkelijkheid ontzettend moeilijk gemaakt voor wie de wereld met al zijn chaos serieus neemt. Bovendien heeft het individu zich sindsdien losgemaakt van de verwevenheid van God, mens en wereld waar Maximos nog van uitging en waarvan hij de samenhang weerspiegeld zag in de gemeenschap van de Kerk en van haar gebouwen. Het individu bevindt zich nu vaak buiten een zinvol verband, alleen in de afstandelijke, holle arena van de wereld; het is een vorm van bestaanscrisis, een existentiële crisis. Zelfs voor God (wat dat ook moge betekenen) staat de mens nu alleen.
Een groep denkers heeft dit soort gedachten en gevoelens heel serieus genomen. Ze zagen de crisis van vroege filosofische tradities na de Eerste en Tweede Wereldoorlog en gaven zich daar rekenschap van in hun eigen denken. Deze groep, eigenlijk meer een los netwerk van verspreid levende mensen, kwam voort uit de Franse artistieke, literaire en academische kringen. Ze hebben de naam van ‘existentialisten’ gekregen, denkers die gericht zijn op ‘existentie’, op het bestaan. Ze gaan er, zoals hun naam al aangeeft, vanuit dat het bestaan voorafgaat aan de essentie; het zijn gaat vooraf aan de betekenis ervan. Morele of ethische inhoud is niet vooraf vastgelegd in het zijn zelf, geen enkel lot is voorbestemd. Authentiek zijn betekent volgens hen de verantwoordelijkheid dragen om deze onstabiele toestand van het zijn te erkennen en er een omgang mee te vinden.
Een lege kerk is een verzet tegen een geloof dat een bevredigend, voltooid antwoord is, dat zijn bestemming heeft bereikt als het ware. Het wijst op het ongrijpbare van God en geloof, juist door de leegte.
Terwijl het geloof van Maximos voor hem elke dag gestalte kreeg in zijn verbondenheid met God, de wereld en de mensen – telkens wanneer hij zijn met mensen en betekenis volgepakte kerk binnenstapte –, gaat dat voor mensen, ook voor christenen, die met een existentialistische blik naar de wereld kijken eigenlijk niet meer. Het geloof is niet vanzelfsprekend en geeft niet zonder meer het soort sterke samenhangen aan de werkelijkheid die voor Maximos en zijn wereld kenmerkend waren. Theologen hebben hier in de loop van de 20e eeuw een omgang mee geprobeerd te vinden. Ook al voor de opkomst van de existentialisten, reagerend op de chaos van de Eerste Wereldoorlog schreef Karl Barth bijvoorbeeld dat het geloof van de hedendaagse christen „kein Boden, auf den man sich stellen, keine Ordnung, die man befolgen, keine Luft, in der man atmen kann” (“geen grond om op te staan, geen orde om te volgen, geen lucht om in te ademen”) is. Het staat in zijn baanbrekende commentaar op de Brief aan de Romeinen. Hij gaat verder door te stellen dat het geloof steeds alleen een lege ruimte is, een verlangen, een nood hebben aan en de hoop op een Onzichtbare, of ook een vacuüm, een zuchten, een wachten en vermissen, een openheid voor God die alles overstijgt. Het maakt het geloof er niet eenvoudiger (of aangenamer) op maar doet voor Barth wel recht aan de wereld waarin hij leefde – en aan het getuigenis van de Schrift. De kerk in zo’n opvatting vertegenwoordigt niet de visie van Maximos de Belijder op veiligheid in de verbinding met God, maar een erkenning van de chaos, het dubbelzinnige en absurde ronddwalen van het bestaan zonder dergelijke vaste verbindingen. Tegen deze achtergrond keer ik nu terug naar de lege kerk en de betekenis ervan.
Afsluitende gedachten: het belang van een lege kerk
Volgens een verhaal dat ik ooit heb gehoord, had een onbekende persoon op de achterkant van de grafsteen van Søren Kierkegaard (die vaak wordt beschouwd als een voorloper van het existentialisme) geschreven: „het bestaan is verzet”. Toen ik er op bezoek was, was de tekst waarschijnlijk al lang geleden weggeveegd. Toch heb ik het gecontroleerd. De uitspraak klinkt in al haar filosofische speelsheid alsof ze door Søren zelf is goedgekeurd. Ik pak de begrippen bestaan en verzet om mijn uiteindelijke punt te maken over de betekenis van lege kerken in onze wereld. Ik doe dat in een aantal punten die ook laten zien wat de relevantie ervan is. Alle zijn ze van belang voor het nadenken over de rol van de kerk in de (post)moderne maatschappij en daarmee voor missiologie en interculturele theologie.
Ten eerste is een lege kerk een verzet tegen een geloof dat een bevredigend, voltooid antwoord is, dat zijn bestemming heeft bereikt als het ware. Het wijst op het ongrijpbare van God en geloof, juist door de leegte.
Ten tweede is een lege kerk, met zijn echo van een andere wereld en het verlangen ernaar, iets dat de rust van de wereld doorbreekt. Het staat haaks op de veiligheid van de massa, van entertainment, van drukke winkels en van gezellig bewoonde appartementen. Dit is ook van intrinsiek belang voor een wereld die zichzelf niet voor de gek wil houden met zelfgemaakte vormen van veiligheid.
Ten derde is de lege kerk een vorm van verzet tegen denken over waarde in termen van nut en over waardigheid in termen van productiviteit – en dus ook tegen het denken over de kerkgebouwen en de Kerk in zulke termen. De lege kerk is nutteloos en daarmee een protest tegen de schijnbare vanzelfsprekendheid van zulk denken.
Het bestaan van de lege kerk is verzet, door de leegte en door de echo van een mogelijk andere werkelijkheid die erin klinkt. Stel je ervoor open, laat je erdoor ontregelen, en ontdek zo de kerk opnieuw.
Eeva Hurskainen studeert aan de School voor Theologie, Universiteit van Oost-Finland
Vertaling: Peter-Ben Smit
Foto: Pixabay (albersHeinemann)

