

Geloven is belichaamd: mensen beoefenen hun geloof op fysieke plekken, en die plekken krijgen iets sacraals in de beleving van mensen. Heilige ruimte ontstaat: in kerken, maar ook thuis, in de publieke ruimte of zelfs in de gevangenis. De spacial turn in de sociale wetenschappen helpt ons om te zien: het zijn mensen zelf die ruimte ‘heilig’ maken, door hun rituelen, liturgie en andere symbolische praktijken en processen.
We verkennen daarom in deze TussenRuimte de praktische theologie van plaats en ruimte. Wanneer en hoe worden plaatsen van aanbidding ervaren als heilig? Hoe gebeurt dat in verschillende culturen en contexten? Hoe wordt heilige ruimte onderhandeld temidden van seculariteit en andere religies? En hoe wordt heilige ruimte uitnodigend en missionair?
Artikelen
In het openingsartikel schrijft predikant-theoloog Rein den Hertog over “Ruimte in Christus: overwegingen bij een centraal motief van Paulus”. In Paulus’ brieven is Christus niet alleen degene in wie we geloven, maar ook de ruimte waarin we leren leven. Wat betekent dat voor hoe we kijken naar kerk, gebouwen en missie?
Hans Riphagen, rector van het Baptisten Seminarium, promoveerde op de ruimtelijke wending en contextuele missiologie. Zijn artikel “De ruimtelijke wending en contextuele missiologie” stelt de vraag: wat betekent het om kerk-in-de-buurt te zijn? Is zo’n theology of place niet te idealiserend? Begin 2027 verschijnt zijn boek Church-in-the-Neighbourhood.
Drie volgende artikelen komen uit Europese contexten: eerst het artikel van de Indonesische Broeder Raymon die deel uitmaakt van de gemeenschap in Taizé: “Deus ibi est: is Taizé a sacred space? The Taizé Community as a space of encounter.”
Berit Weigand Berg, een Deense promovenda aan de PThU, schrijft over Pioneering Through Architecture – Tiny Church in Copenhagen. Hoe een architecturaal experimentele tiny church zich ontwikkelde tot een pioniersproject, doordat bezoekers er vragen over gingen stellen.
Eeva Hurskainen, een Finse theologiestudente levert een bijdrage over “het bestaan van lege kerken als verzet: lege kerken en de echo van een andere werkelijkheid.” – een uitnodiging om de leegte van de kerk niet als probleem te zien.
Vervolgens zijn er drie artikelen uit diverse Aziatische contexten.
David Berhitu, schrijver en redacteur van het Molukse magazine Marinjo. schrijft over de piring natzar, de Molukse offerschaal die in Molukse gezinnen thuis (ook in Nederland) een heilige ruimte vormt tussen adat en christendom.
Shuham Charles, promovendus aan de TUA met Pakistaanse achtergrond, schrijft: Continuity of Sacred Space: Architectural Hybridity and Theological Adaptability in Church Architecture of Pakistan. Pakistaanse kerkgebouwen zijn niet eenvoudig koloniaal of postkoloniaal, maar de geleefde ervaring van christenen schept hybride betekenissen.
Van de hand van Elga J. Sarapung, directeur van Interfide/DIAN voor interreligieuze dialoog in Yogyakarta, verschijnt een artikel over “Kerkklok en azan als klankruimte voor diversiteit en tolerantie: de betekenis van religieuze geluiden vanuit gebedshuizen in de pluriforme, publieke ruimte van Indonesië.”
Tot slot schrijven drie auteurs (Ryan van Eijk, Matthijs Geluk en Henriëtte Nieuwenhuis) over geestelijke verzorging in de gevangenis, en over religieuze en spirituele kansen en kanten in de gevangenis: “Onze cel was een gebedskamer geworden.”
De themaredactie van deze editie bestond uit Petra Laagland-Winder, Henriëtte Nieuwenhuis, Jan van ’t Spijker en Willem van der Deijl.