De kerk moet naar buiten, want het Boek der Natuur gaat bijna dicht

Wilderniskerk als volwaardige eredienst en missionaire kans

“Ik denk niet dat men voldoende beseft hoezeer de Bijbel een buitenboek is. Het is een ‘hypaethraal boek’ zoals Thoreau het noemde – een boek open naar de hemel. Het wordt het best buiten gelezen en begrepen, en hoe verder buiten, hoe beter. Dat is tenminste mijn ervaring. Passages die binnen muren onwaarschijnlijk of ongelooflijk lijken, buiten lijken ze gewoon vanzelfsprekend. Dit komt doordat we buiten overal met wonderen worden geconfronteerd; we zien dat het wonderbaarlijke niet buitengewoon is, maar de gewone manier van bestaan. Het is ons dagelijks brood.”

Wendell Berry

In januari was ik te gast bij de Northumbria Community in Noord-Engeland, die haar liturgie baseert op de Keltische spiritualiteit. Tijdens het gebed in de kapel achter in de tuin, gebeurde er iets wat mij raakte: er werd die ochtend specifiek gebeden voor de vogels en vissen op het terrein. Men voelde zich verbonden met hen en droeg hen op aan de Vader van alles wat leeft. Ik denk dat mijn ontroering voortkwam uit het feit dat ik dat zo mis in de kerk waar ik wekelijks naartoe ga: verbinding met al het organische leven in de nabije omgeving.

De Nederlandse Geloofsbelijdenis stelt in artikel 2 dat God zich allereerst kenbaar maakt in en door de natuur. Toch gaat dat ‘Boek der Natuur’ voor veel gelovigen nauwelijks open. We lopen erdoorheen om de hond uit te laten of om onszelf te ontspannen, maar we verbinden ons zelden echt met wat er leeft om ons heen. Ik geloof dat dat gebrek aan verbinding een van de oorzaken is van de enorme achteruitgang van de natuur waar we vandaag de dag mee te maken hebben. Volgens berekeningen van het Wereld Natuurfonds is de populatiegrootte van veel diersoorten sinds 1970 met gemiddeld 73% gedaald. Het is hoog tijd dat we ons weer verbinden met de schepping en die schepping weer met God verbinden. Want, is mijn stellige overtuiging, als wij Gods karakter ontwaren in alles wat leeft, komen wij tot een betere omgang met alles wat leeft én eren wij de Schepper van alles wat leeft. Dus is het van het grootste belang om de natuur daadwerkelijk te gaan betrekken bij onze relatie met God, niet alleen doordeweeks, maar juist ook in de eredienst.

Het is van het grootste belang om de natuur daadwerkelijk te gaan betrekken bij onze relatie met God, niet alleen doordeweeks, maar juist ook in de eredienst.  

Vieren met de natuur

In Engeland en Amerika bestaan al langer vormen van Forest Church of Church of the Wild. Dat is niet hetzelfde als een openluchtdienst of hagepreek. Het is meer, want tijdens zo’n dienst doet de natuur volop mee: zon, wind, water, vogels nemen deel aan de liturgie. De menselijke deelnemers gebruiken al hun zintuigen en vertellen elkaar wat ze in de natuur ontdekken over God. Ze verbinden dat met teksten uit de Bijbel, zingen een lied, laten de vogels meezingen en danken de Schepper. Ook in Nederland zijn er nu vieringen van Wilderniskerk.

“Ik vond het mooi, maar ik heb de kerkdienst gemist”, zei een deelnemer na afloop van een Wilderniskerk. Die opmerking roept een paar fundamentele vragen op: wat maakt een kerkdienst nu eigenlijk tot een kerkdienst? En kan een dienst in en met de natuur daaraan voldoen? Welke theologische gronden zijn er voor meer natuurbetrokken kerk-zijn en waarom is dat belangrijk?

Boek der Natuur

God kennen uit het Boek der Natuur is al een oude gedachte. In zijn inaugurele rede over dit onderwerp haalt theoloog Gijsbert van den Brink de kerkvader Augustinus aan: “Sommigen lezen een boek om God te vinden. Er is toch een groot boek: de aanblik van het geschapene. Kijk omhoog en omlaag, let op en lees. Opdat u dat boek zou kunnen lezen schreef God geen letters met inkt, maar het geschapene zelf plaatste Hij u voor ogen. Waarom zoekt u een luidere stem? Hemel en aarde roepen u toe: God heeft me gemaakt.”

In de Nederlandse theologie werd de ‘boekenmetafoor’ populair via Guy de Brès’ Geloofsbelijdenis (1561): Wij kennen God allereerst door de schepping. Want die is als een prachtig boek waarin alle schepselen als letters zijn. Vervolgens laat God zich nog beter kennen door zijn heilig Woord. Volgens De Brès is de schepping dus de bron van Godskennis die aan de Schrift voorafgaat.

Het Boek der Natuur raakte door de Verlichting steeds meer op de achtergrond: als je de natuur ook zonder God kunt verklaren (Darwin), en als God nooit te kennen is (Immanuel Kant), dan is het Boek der Natuur overbodig. Karl Barth voegde vanuit zijn afkeer van de nazistische ‘Blut-und-Boden-ideologie’ een ander bezwaar toe: wie God via de natuur zoekt, loopt het gevaar eigen ideeën op God te projecteren. God is alleen te kennen via Jezus Christus.

Gesloten huis

Onder invloed van Karl Barth zwakten Nederlandse theologen de waarde van artikel 2 van de Geloofsbelijdenis nogal af, met name door de volgorde om te draaien: we leren eerst en vooral God kennen uit de Schrift om vandaaruit Hem te ontdekken in schepping en geschiedenis. Maar Van den Brink toont aan dat De Brès wel degelijk bedoelt dat mensen ook buiten de Bijbel om een zekere mate van echte, zij het beperkte, kennis van God kunnen ontvangen. Wij krijgen uit het Boek der Natuur niet zozeer een besef van de liefde van God, maar wel van zijn eeuwige kracht en majesteit (Romeinen 1). Daarom pleit Van den Brink voor een “rehabilitatie van de natuur als beperkte maar zelfstandige bron van Godskennis”. Dat is belangrijk, vindt hij, want door ook in de schepping naar God op zoek te gaan, blijft het christelijk geloof betrokken bij de werkelijkheid. “Zonder zulke kennis komt christelijk geloof gemakkelijk in de lucht te hangen, óf wordt het een gesloten huis.”

Dit raakt aan mijn ervaring in Northumbria: zonder verbinding met al het andere leven op aarde, raken wij het juiste zicht op onszelf kwijt. Want wie zijn wij in het geheel van de schepping? Wat is onze rol? En wat is Gods relatie met al het andere leven? Dat ontdek je niet in een gesloten huis. Om met Stefan Paas te spreken: “Als het waar is wat de apostel zegt, dat we alleen ‘samen met alle heiligen’ de liefde van Christus kunnen kennen (Ef. 3:18-19), zou het dan niet zo zijn dat alle schepselen nodig zijn om de Schepper te kennen?” (Vrede op aarde, p. 303). En, is mijn vervolgvraag: moeten die schepselen dan niet een eigen plek krijgen in de eredienst?

Het feit dat God de wereld geschapen heeft, helpt ons om God door de natuur te zien, maar de incarnatie zorgt ervoor dat wij God in de natuur kunnen vinden. Daarmee is de natuur niet langer slechts decor, maar een plaats van goddelijke inwoning geworden.

Incarnatie

Precies vanuit dat gemis ontwikkelde de Britse theoloog Alistair McGrath een nieuwe natuurlijke theologie met een nadrukkelijke focus op de incarnatie. Doordat God in Jezus Christus de materiële, natuurlijke orde is binnengegaan, mogen wij erop vertrouwen dat de God die we in de natuur zoeken, dezelfde is als die in Christus Jezus mens werd. Het feit dat God de wereld geschapen heeft, helpt ons om God door de natuur te zien, maar de incarnatie zorgt ervoor dat wij God in de natuur kunnen vinden. Daarmee is de natuur niet langer slechts decor, maar een plaats van goddelijke inwoning geworden.

Wel blijft de natuur als bron van Godskennis ambigu. Zonder christelijk kader kun je in het bos even gemakkelijk een bewijs voor een liefdevolle God zien als de “blinde, meedogenloze onverschilligheid” waar de atheïst Richard Dawkins het over heeft. We hebben de Schrift nodig om God niet alleen als Schepper, maar ook als Verlosser te leren kennen.

McGrath pleit voor een ‘warme cognitie’: een manier van kennen waarbij niet alleen het verstand, maar ook onze zintuigen, emoties en verbeelding worden aangesproken. “God heeft zich in de incarnatie aangepast aan de menselijke zintuiglijke processen. Door de natuur binnen te gaan, nam het Woord ‘natuurlijke vormen’ aan om voor ons beperkte waarnemingsvermogen toegankelijk te worden. […] Er is weliswaar een duidelijk onderscheid tussen de manier waarop het Woord aanwezig is in de schepping en in Jezus maar er is ook een ‘essentiële continuïteit tussen hen die niet mag worden onderschat.”

Forest Church

Bruce Stanley, de Britse grondlegger van Forest Church, beschrijft hoe de mens door de landbouwrevolutie en industrialisering steeds losser is komen te staan van de natuur. Onze spiritualiteit raakte daardoor “losgekoppeld van de materiële zaken van het leven” en werd “een oefening van emotie en intellect die binnenshuis wordt uitgevoerd”. Dat motiveerde hem om de natuur te gaan betrekken in de liturgie, waarbij hij benadrukt dat Christus het centrum moet blijven van ‘buitendiensten’: “Dezelfde God die tot ons spreekt in de natuur heeft veel geopenbaard in de Bijbel, en de twee boodschappen zullen elkaar, indien authentiek, niet tegenspreken.” Jezus betrok de natuur volop bij zijn onderwijs en gebruikte de natuurlijke wereld om Gods koninkrijk te verhelderen.

“Dezelfde God die tot ons spreekt in de natuur heeft veel geopenbaard in de Bijbel, en de twee boodschappen zullen elkaar, indien authentiek, niet tegenspreken.”

In Nederland is Wilderniskerk op initiatief van Klaas-Hemke van Meekeren gestart. Eens in de twee weken komt een groep bij elkaar bij een vijverpark, landgoed of uiterwaard in de buurt van Houten. De dienst begint met liederen, gebed en Bijbellezing, geïnspireerd door Keltische en oosters-orthodoxe tradities. Daarna volgt een natuuroefening: proeven, voelen, ruiken, luisteren, zien, in stilte nadenken en bidden. Wat mensen ontdekken, delen ze in de groep, als een ‘gedeelde preek’. De bijeenkomst sluit af met een lied, gebed en gedeeld eten.

Dynamische kerkdienst

Wat maakt een bijeenkomst tot een kerkdienst? Liturgiewetenschapper Marcel Barnard omschrijft de eredienst als “een dienst van God aan mensen, die de dienst van mensen aan God oproept, draagt en omvat”. In Wilderniskerk wordt die dynamiek breder getrokken: door al het geschapene mee te laten doen, ontmoeten wij niet alleen de God van mensen, maar de God van alles wat leeft.

In de samenkomstpraktijk van de eerste gemeenten herkent theoloog Evert van de Poll zes elementen: onderwijs, gemeenschap, maaltijd, breken van het brood, gebeden, lofprijzing en het beoefenen van de geestesgaven. Wilderniskerk bevat die elementen of kan ze goed integreren. Het onderwijs wijkt het meest af want de klassieke preek ontbreekt. In plaats daarvan delen deelnemers hun geleerde lessen uit de natuur. Is dat erg? Barnard waarschuwt voor “al te veel nadruk op ratio en woord” en stelt dat ook de beleving het geloof voedt. Wie proeft, ruikt en luistert in de natuur, bidt en leert met het hele lichaam. McGrath schrijft in dit verband dat Jezus zich in zijn Ik-ben-uitspraken identificeert met elementen uit de natuur: zo wordt de zintuiglijke ervaring in de Wilderniskerk een directe vorm van verkondiging door de Geïncarneerde zelf. Dankzij de incarnatie kunnen natuurverschijnselen als zon, wind en water “voertuigen van goddelijke zelfopenbaring” zijn.

Heilig spel

Barnard wijst erop dat de heilige Geest de liturgie beweeglijk en dynamisch houdt, hoewel “een zekere vormvastheid en zorgvuldigheid” belangrijk is. “Er bestaan geen heilige huisjes”, als het gaat om liturgie, vindt ook theoloog Evert van de Poll. “Kennelijk mogen wij de creativiteit die God ons geeft, aanwenden in de manier waarop wij de samenkomst gestalte geven. Geïnspireerd door de Geest die Hij ons eveneens gegeven heeft.’ Speelruimte dus, maar wel ‘een heilig spel voor Gods aangezicht, speels en gestructureerd tegelijk. […] Het speelveld heeft ook een middelpunt: de Persoon en het werk van Christus. Door Hem zijn we verzoend met God. Alles wat liturgie heet, speelt zich af rondom dit centrale gegeven.” De openheid en de losse vormgeving van Wilderniskerk zijn een kracht, maar kunnen ook een zwakte zijn als de onderdelen niet zorgvuldig vormgegeven en goed doordacht worden, met Christus in het centrum.

Waar de traditionele binnendienst vaak sterk leunt op het intellect, gebruikt men in Wilderniskerk alle zintuigen. Bovendien neemt de natuur deel aan de liturgie: zo wordt de ontmoeting met God compleet. Juist in een tijd van ecologische crisis, waarin de biodiversiteit afneemt en het ‘Boek der Natuur’ dicht dreigt te gaan, is deze vorm van vieren urgenter dan ooit. Wilderniskerk kan een noodzakelijke rehabilitatie zijn van de natuur als bron van Godskennis. Het biedt bovendien missionaire kansen: er zijn genoeg mensen die buiten de kerkmuren God zoeken en Hem in de natuur hopen te vinden. Een Christcentered Wildeniskerk is voor hen een uitkomst. Het is een vorm van kerk-zijn die recht doet aan Schepper, mens en schepping.

Fotograaf: Allian Mulder 


Gebruikte literatuur

Marcel Barnard, Tot Gods Eer. Handreiking voor gesprekken over liturgie (Notitie Synode Protestantse Kerk Nederland 16 november 2017, versie 04).

Theanne Boer (red), Samen Genieten van Genoeg. Hoopvol en haalbaar duurzaam leven (Buijten en Schipperheijn 2025).

Gijsbert van den Brink, Als een schoon boec. Achtergrond, receptie en relevantie van artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (Faculty of Religious Studies, Leiden University 2007).

Alistair McGrath, Een open geheim. Natuurlijke theologie als brandpunt van geloof, kunst en wetenschap (Kok 2009).

Stefan Paas, Vrede op aarde. Over heil en redding in deze tijd (KokBoekencentrum 2023).

Evert W. van de Poll, Samen in de naam van Jezus. Over evangelische liturgie en muziek (Boekencentrum 2009).

Bruce Stanley, Forest Church: A Field Guide to a Spiritual Connection with Nature (Anamchara Books 2020).