‘Een zendeling is geen ware zendeling als zijn hond en zijn kat er niet beter van worden. Dat is een waar getuigenis,’ Is dat een stelling die te verdedigen is? Dit artikel bestudeert de relatie tussen scheppingszorg en zending door de lens van het getuigenis. Scheppingszorg als ‘smaakmaker’ van zending en levend getuigenis van de liefde van God voor de schepping.
Scheppingszorg en zending
De beroemde prediker Charles Haddon Spurgeon was gek op honden. Hij had een zwarte keeshond, Punch, waar hij regelmatig met affectie over schreef in zijn brieven. ‘Ik was erg blij dat Punchie mij zijn liefde stuurde’, schreef hij eens. ‘Arme hond, aai hem voor mij en geef hem namens mij iets lekkers’.[1] In zijn preken speelden honden ook een rol. Zo verhaalt hij hoe hij op een dag een vreemde hond in zijn tuin aantrof die zijn bloembedden aan het vernielen was. Hij schreeuwde naar het dier en gooide een stok, maar tot zijn verbazing kwam de hond kwispelend en blij naar hem toe, waarop hij het dier aaide.
Spurgeon werkt de anekdote uit tot een metafoor voor de liefde van God voor zondaars, als ze in vol vertrouwen zich aan Hem onderwerpen. De relatie tussen mens en hond is voor Spurgeon belangrijk. Vol instemming citeert hij een tijdgenoot die schreef: ‘Een man is geen echte christen als zijn hond en zijn kat er niet beter van worden. Dat is een waar getuigenis.’ De ware christen, zo stelt Spurgeon, brengt zijn dagelijks leven ‘op smaak’ met ‘goddelijke genade’ door daden van liefde en vriendelijkheid.[2]
Spurgeons nadruk op getuigenis is een mooie lens om theologische de relatie tussen mens en natuur te bestuderen. Andere termen hebben in het gesprek over dit thema doorgaans de overhand, zoals dominantie of rentmeesterschap. Christenen zouden in meerdere of mindere mate een verantwoordelijkheid hebben gekregen voor het onderhouden van de tuin (Genesis 2) en dus (?) de gehele schepping. Getuigenis vervangt deze termen niet, maar belicht de kwestie van een andere kant.
De vraag is hoe dat zit voor zending. Is scheppingszorg een integraal onderdeel van christelijke zending? Het heeft lang geduurd voordat deze vraag überhaupt gesteld is in de zendingsgeschiedenis. De nadruk lag op het redden van zielen, het bouwen van scholen en ziekenhuizen en andere vormen van ontwikkelingssamenwerking die allemaal uiteindelijke draaiden om het geestelijke en fysieke welzijn van mensen. Niet van de natuur. De laatste jaren is het inzicht gerezen dat het welzijn van mensen niet los kan worden gezien van het welzijn van de natuur. En zelfs dat scheppingszorg misschien intrinsiek waarde heeft als doel van zending. In de ‘five marks of mission’ is scheppingszorg sinds 1990 opgenomen. De schepping als geheel is een integraal onderdeel van het verlossingswerk en dus van zending.
Scheppingszorg als zending, niet vanwege een theologisch beginsel maar als uiting, als getuigenis van de goedheid van God.
Scheppingszorg als getuigenis
Scheppingszorg als zending is dus theologisch zeker goed te gronden, maar in dit artikel wil ik de focus leggen op een ander aspect. Want gebeurt het wel in de praktijk? Ik laat me inspireren door de anekdote van Spurgeon. Zoals de prediker Spurgeon zijn leven ‘op smaak’ bracht door goed te zijn voor zijn hond, kan de zendeling zijn leven ‘op smaak’ brengen door te zorgen voor de schepping. Om Spurgeons citaat een draai te geven: ‘Een zendeling is geen ware zendeling als zijn [of haar] hond en zijn kat er niet beter van worden. Dat is een waar getuigenis.’ Scheppingszorg als zending, niet vanwege een theologisch beginsel maar als uiting, als getuigenis van de goedheid van God.
In Handelingen 1:8 staat: ‘Maar wanneer de heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen om mijn getuigen te zijn […]’. Zending is dus een getuigenis. Het woord dat hier gebruikt word is μάρτυς, ‘martus’, dat zowel getuige als martelaar kan betekenen. Hetzelfde woord wordt gebruikt in Lucas 24:48, waarin de discipelen ‘getuigen’ waren van de dingen die ze zelf hadden gezien. Het was daarom vitaal dat een getuige ook betrouwbaar was (Exodus 20:16). In zijn artikel over getuigenis in missiologie noemt Wolo Lasuh drie kenmerken van een getuige: een getuige is gepassioneerd over zijn zaak, waarheidsgetrouw en leeft zijn getuigenis uit.[3] Een getuige verhaalt dus van hetgeen is gezien, maar representeert zelf ook in zijn eigen leven de waarheid en waarden waar hij voor staat.
Historische balans
De vraag die dit oproept is of christelijke zending niet alleen spreekt over maar ook ‘getuigt’ van scheppingszorg. De geschiedenis van zending laat een gemengd beeld zien. Zendelingen hebben in het verleden maar al te vaak westerse ‘beschaving’ uitgedragen, naast het evangelie. Onderdeel van die beschaving was het kappen van bossen, het negeren van lokale kennis over de natuur, het introduceren en aanmoedigen van westerse landbouwtechnieken en het jagen op wilde dieren. In de bijgaande foto is een sprekend voorbeeld te zien van Robert Laws, zendeling bij de Ngoni in Malawi, die de houtkap overziet voor het bouwen van een zendingsschool. Zonder dat het uitgesproken wordt lijkt deze foto een visueel getuigenis zijn: de natuur moet wijken voor het evangelie.

Foto: Zendeling Robert Laws en Ngoni overzien houtkap voor zendingsschool in Malawi, ca. 1900
Dat is niet het hele verhaal. Zendelingen hebben zeker ook een constructieve rol gespeeld. Ze hebben bijgedragen aan de conservatie van tropische wouden, zich beziggehouden met de bestudering van fauna en flora en botanische tuinen aangelegd. Ze hebben zich ingezet voor de bescherming van natuurgebieden en mensen die daarin leefden en daarvan afhankelijk waren. In Malawi waren zendelingen zich juist ook bewust van de noodzaak het landschap te beschermen.[4] In Niger was de zendingsorganisatie Sudan Interior Mission actief in het planten van bomen. Ze geloven niet dat dit een doel van zending moet zijn, maar zien het als een uitvloeisel van bekering.[5] In Zuid-Afrika geloofde zendeling Robert Moffat dat zijn prachtige tuin uitnodigend werkte op mensen uit de buurt, die dan misschien ontvankelijk zouden zijn voor het evangelie.[6] Zonder dat het uitgesproken wordt lijkt het getuigenis dit te zijn: het evangelie is zorgzaam voor de natuur.
Actuele balans
De erfenis van zending is dus ambivalent. Alles overziend lijkt scheppingszorg in het verleden meestal niet, soms wel, een getuigenis geweest te zijn van zendelingen. De laatste decennia is de gedachte dat zorg voor de schepping niet alleen zijdelings een onderdeel van zending is, maar een integraal onderdeel daarvan. In 2000 sprak Emilio Castro, de voorzitter van de Wereldraad van Kerken, over het milieu als een nieuw ‘zendingsfront’. [7] Vanaf de jaren 1990 en 2000 verscheen literatuur over scheppingszorg als onderdeel van zending.[8] Hoewel die gedachte de missiologie doordrong, heeft het nog wel even geduurd alvorens die ook expliciet in de praktijk werd toegepast.
Getuigt de huidige zendingsbeweging van scheppingszorg? We zouden dat op twee manieren kunnen bekijken. De eerste is om te bezien in hoeverre zendingsorganisaties actief zijn op het gebied van milieu en klimaat. Samen met Suzanne Ros onderzocht ik deze vraag voor een recente periode in Nederland.[9] In totaal bestudeerden we 72 organisaties die zijn aangesloten bij de Nederlandse Zendingsraad en MissieNederland. Op basis van jaarverslagen hebben we getoetst of deze organisaties in 2010 en in 2020 ‘groen’ waren. Werd er al dan niet gesproken over scheppingszorg? Werden organisatorische maatregelen genomen (zonnepanelen, minder reizen)? Was scheppingszorg een integraal onderdeel van zending?
We concludeerden dat van de 72 organisaties in 2010 vier organisaties scheppingszorg zeer serieus namen, acht enigszins.
We concludeerden dat van de 72 organisaties in 2010 vier organisaties scheppingszorg zeer serieus namen, acht enigszins. In 2020 bleek een verschuiving te zijn opgetreden: een verdubbeling van ‘groene’ organisaties van vier naar acht. Zes organisaties noemden verduurzaming maar deden er niets mee. Zeventien organisaties hadden maatregelen genomen om de bedrijfsvoering en het gebouw te verduurzamen. Een voorbeeld hier is 3XM (More Message in the Media), een zendingsorganisatie die zich richt op het verspreiden van het evangelie door media in Afrika en Azië. 3XM streefde ernaar een klimaatneutrale organisatie te zijn en investeerde in het compenseren van vliegreizen door het planten van bomen en het verzoek van medewerkers om dicht bij werk te wonen.[10] 41 organisaties repten met geen woord over milieu, klimaat of duurzaamheid. Als we de maatstaven aanscherpten kwamen we eigenlijk maar op een organisatie die scheppingszorg als centraal zendingsdoel heeft: A Rocha.
Met een budget van ongeveer € 100.000 is A Rocha een kleine organisatie, wiens budget in het niet valt bij het jaarlijks budget van christelijke organisaties van ongeveer een miljard euro. Daarbij komen natuurlijk nog wel de bedragen van organisaties die scheppingszorg in hun programma hebben geïntegreerd, maar we kunnen concluderen dat de zendingsbeweging als geheel nog geen overtuigend getuigenis van scheppingszorg uitstraalt.[11]
Proef en zie
Er is een andere manier om naar deze kwestie te kijken. Een zichtbaar getuigenis draait immers niet alleen om geld of programma’s. Om terug te gaan naar de anekdote van Spurgeon aan het begin van dit artikel: de hond van deze ‘prins der predikers’. Goed zorgen voor zijn hond beschouwde hij als smaakmaker. ‘Proef en zie dat de HEERE goed is’, staat in Psalm 34:9 (HSV). Ik stel me voor hoe het zou om bij Spurgeon thuis op bezoek te komen, en zijn getuigenis te proeven en te zien. Er is niets mis met een goede preek, maar een man die verzot is op zijn hond geeft een andersoortig getuigenis. Door zijn affectie voor een dier proeven en zien we de liefde van God voor de schepping.
Met creativiteit en inspiratie kunnen zendingsorganisaties zich wel degelijk ontwikkelen als groene smaakmakers.
Als we dit beeld doortrekken: hoe zou het zijn als iemand ‘op bezoek’ gaat bij een zendingsorganisatie of een project? Wat is de sfeer die het pand, de mensen daarin uitademen? Kom ons gebouw binnen: proef en zie dat de Heere goed is. Lopen we door een goedonderhouden weelderige tuin naar het hoofdgebouw? Is er een groen dak, zonnepanelen? Is er een wandschildering van een natuurgebied? Een binnentuin? Wat is de ‘smaak’ die de bezoeker kan proeven? Welk getuigenis wordt daarmee afgegeven? De Russische kluizenaar Seraphim van Sarov was volgens legendes bevriend met een wilde beer. Dat is een voorbeeld dat moeilijk na te volgen is, maar is het denkbaar dat het pand een vlindertuin heeft – een onverwacht uitbundig scheppingsfeest als smaakmaker van zending?
Scheppingszorg als getuigenis is maar een deel van het verhaal. Naarmate de missiologie zich meer toebeweegt naar een visie waar scheppingszorg een integraal onderdeel van zending is, zal milieuzorg en klimaatbeleid een steeds grotere plaats moeten innemen in de programma’s en gebouwen van zendingsorganisaties. Met creativiteit en inspiratie kunnen zendingsorganisaties zich wel degelijk ontwikkelen als groene smaakmakers.
David Onnekink is bijzonder hoogleraar Christelijk Ecologisch Denken aan de Theologische Universiteit Utrecht en universitair hoofddocent Geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij is momenteel geïnteresseerd in de geschiedenis en actualiteit van zending.
NOTEN
[1] Geciteerd in Spurgeon’s autobiography deel 4 – 1878-1892, p. 62.
[2] Charles Haddon Spurgeon, First things first (preek uit 1885). Het citaat is oorspronkelijk niet van hemzelf.
[3] Wolo Lasuh, ‘A Missiological Understanding of Witness’, IOSR Journal of Humanities and Social Science (IOSR-JHSS) Volume 30, Issue 7, Series 2 (July, 2025) 05-12, p. 11.
[4] Wapulumuka O. Mulwafu, ‘The Interface of Christianity and Conservation in Colonial Malawi, c. 1850-1930’, Journal of Religion in Africa 34/3 (2004): 298-319.
[5] Barbara M. Cooper, Evangelical Christians in the Muslim Sahel (2006) 330.
[6] Robert Moffat, Missionary Scenes and Labours in South Africa (1842).
[7] Emilio Castro, ‘A Christocentric trinitarian understanding of mission’, International Review of Mission 89:355 (2000) 584-591.
[8] Zie bijvoorbeeld Ross Langmead, “Ecomissiology”, Missiology 30 (2002): 505–18.
[9] David Onnekink en Suzanne Ros, ‘The Greening of Dutch Protestant Christianity (1960-2020)’, BMGN – Low Countries Historical Review, 139/2 (2024), 66-95, https://doi.org/10.51769/bmgn-lchr.13865.
[10] 3xM (More Message in the Media), jaarverslag 2020, https://3xm.nl/jaarverslag-2020/.
[11] De gegevens zijn na te lezen in het artikel; per organisatie is het jaarbudget en de ‘groenheid’ weergegeven. Het onderzoek liep tot 2020, ondertussen zal de situatie licht maar niet structureel zijn veranderd.
